HOOFDSTUK VI

Stollingsgesteenten Dieptegesteenten

Graniet

Onder onze zwerfstenen is graniet het meest algemene noordelijke stollingsgesteente, dat in allerlei kleurschakeringen voorkomt, uit een groot deel van Zweden, van de Ålandeilanden, uit het zuidwestelijk deel van Finland en van Bornholm, alsmede van de omgeving van Oslo. Enkele werden aangevoerd uit de Vogezen, via de Maas, en uit Spessart en Odenwald via de Rijn.

Het aantal granieten waarvan de herkomst vrij nauwkeurig is aan te geven is, na vergelijking met de nog aanwezige granietgebergten, tot meer dan 70 gestegen. De Geologische Landesanstalt te Berlijn, en in het bijzonder Hesemann, destijds daaraan verbonden, heeft zich in deze zeer verdienstelijk gemaakt. Reeds vroeger werkten in die richting ook Van Calker te Groningen en Korn te Berlijn.

Alle granieten kenmerken zich door richtingloze korrelige structuur met de mineraalcombinatie kwarts + orthoklaas + glimmer, al of niet vergezeld gaande van hoornblende; dit zijn de essentiële bestanddelen, tegenover accessorische of bijkomstige mineralen. Het woord graniet is afgeleid van granum, lat. korrel, maar deze korrels variëren in doorsnee van 1 tot soms 50 mm al zijn de meeste granieten middelkorrelig, van 2 - 6 mm.

Orthoklaas of microklien geeft de hoofdkleur aan het gesteente, dat meestal grijs, rose of rood is. Plagioklaas en albiet zijn veelal ondergeschikte bestanddelen. Albiet ligt soms merkwaardig onverweerd tussen de andere tot sericiet en kaolien omgezette veldspaten. De kwarts is nooit verweerd en min of meer glasachtig van uiterlijk, soms wat roodachtig of blauwig getint; roodachtig in de Bornholm-granieten, blauwig in Upsala-, Smaland- en Ålandgranieten.

De grote zwerfblokken zoals de Amersfoortse kei, de Hilversumse dito, de keien van Laren, Ootmarsum, Emmen enz. zijn alle granieten, evenals bijna alle stenen van de hunebedden. Het zijn zgn. wolbalen, rondachtige door verwering vrijgekomen blokken, welke door het diluviale landijs zijn voortgeschoven en op de lange weg nog meer werden afgerond.

De term blokken wordt toegepast op stukken van minstens 10 kilo en 20 cm groot; bij 20 - 2 cm spreekt men van stenen; gerolde stukjes van 20 - 2 mm noemt men grind, fijnere delen heten zand.

Hier worde ook nog herinnerd aan het reeds besproken verschijnsel, dat door uitkristallisatie onder gebergtedruk, een min of meer evenwijdige of golfachtige rangschikking der mineralen kan ontstaan, waardoor graniet overgaat in echte metamorfe gneis, via het tussenstadium gneisgraniet. Zo zijn de Bornholm-, de Halen-, de Filipstad- min of meer gneisgranieten en is de Arnö- zelfs een ideale gneisgraniet.

Druk brengt niet alleen schistositeit teweeg; het komt ook voor dat mineralen verbrijzeld worden, nl. hij kataklase en mylonitisering.

56. Het fennoscandisch herkomstgebied onzer noordelijke zwerfstenen. Met de stippellijnen worden de noord-, midden- en zuidzweedse herkomstgebieden afgegrensd.

Kataklase is met de loupe vooral goed waar te nemen: de gebarsten veldspaten zijn dan omgeven door gebroken kwartskorrels, die onder niet al te sterke druk zijn vergruisd. Het gesteente zelf is dan nog breukloos gedeformeerd, daar doorlopende scheuren, met epidoot gedicht, nog niet voorkomen.

Indien de gesteenten verder worden gebroken of verpulverd, spreekt men van myloniet, welke dus een doorgevoerde kataklase is (myloniet, van myle = molen, dus gemalen gesteente). Daarbij zijn alle overgangen mogelijk: verbroken graniet, breccieachtige graniet, onvolledig verkorrelde, nog grofkorrelige, plaatachtige verfijnde korreling tot volledige verbrijzeling, waarbij geen mineraal met het blote oog meer herkenbaar is, meestal gesteentepulver in bladerige toestand, zodat de oorspronkelijke graniet zelfs op kwartsiet lijkt, temeer daar kaliveldspaat wel eens plaats heeft gemaakt voor muscoviet en kwarts, en mylonitisering dus wordt begeleid door omzetting.

 

pict1.jpg

 

 

 

 

 

57. Mylonietstructuren naar zwerfstenen van Amersfoort, Markelo en Urk.

 

 

 

Als zwerfstenen zijn mylonieten, of granieten met gemylonitiseerde breukzones niet zeldzaam. Onder onze zwerfstenen treffen we granieten aan met suikerkorrelige kwarts, o.a. bij de Smalandgranieten; deze vertonen stadia van kataklase, maar ook echte mylonieten komen voor, met een richtingloze verbrokkeling van alle bestanddelen zonder merkbare paralleltextuur.

Hoogstens een twintigste deel der granietische zwerfstenen is gidsgesteente. Een overzicht van álle noordelijke granieten waarvan de herkomst is te bepalen, gidsgesteenten voor ons noordelijk Diluvium (bijna 70 in getal) vindt de lezer niet in dit boek. Voor nadere informatie raadplege men de werken van Hesemann, van der Kley en Kom.

 

De rapakivigroep

 

De rapakivi-granieten zijn roodbruin, bruinrood tot rood op een breukvlak, vertonen donkere vaak ronde kwartsen en weinig hoornblende en glimmer. Opvallend zijn geringde veldspaten, talrijk bij de rapakivi in engere zin; deformatie is niet te bespeuren. Geen twee rapakivi-granieten zijn gelijk, er zijn ontzaglijk veel overgangen. Aplietachtige, fijnkorrelige rapakivi-granieten komen veel voor. Het woord rapakivi betekent kruimelige, dus slechte steen; in vele soorten wordt deze als grofkorrelig en voor verwering vatbaar bouwmateriaal niet geacht, speciaal de rapakivi in engere zin en pyterliet. De balmoral red e.a. dichtere rapakivi-granieten daarentegen zijn zeer in trek en worden zelfs naar Zuid-Afrika en Australië verscheept.

Rapakivigesteenten zijn afkomstig uit Finland, de Ålandeilanden, Rödö en Ångermanland in Zweden. Ze zijn minder oud dan de archaeische granieten van Zweden. De grote verscheidenheid dezer gesteenten bemoeilijkt een rationele indeling; bij elke groep komen overgangen voor, zodat men zich hier meer dan elders op een gemiddeld type moet instellen (zie foto 3).

 

pict2.jpg

 

58. Geologisch overzicht van het fennoscandisch herkomstgebied; in het Praecambrium zijn de assen der plooibundels als lijnen aangegeven. Naar Holmes (1965).

 

Rapakivi dan in engere zin, is een bijzonder mooi en interessant gesteente, soms vol met geringde ronde veldspaten, orthoklaas met groenig of gelig witte oligoklaasmantels omgeven, Op de buitenzijde van verweerde zwerfstenen komt deze structuur goed uit (foto 3).

 

Åland-rapakivi is een op de breuk bruinrode porfierische hoornblendegraniet, die ook wat glimmer bevat; de grondmassa is middenkorrelig, het getal der ovoieden uiteenlopend, het formaat daarvan 5 - 15 mm. Zeer algemeen en goed herkenbaar.

 

Finse rapakivi heeft de ovoieden veel groter, soms wel van 10 - 20 cm! Naast deze komen dan gedrongen zuilvormige gelige plagioklazen voor, vrij veel hoornblende- en biotietaggregaten, benevens ronde grijze kwartsen, waardoor het gesteente er meer bont uitziet dan het vorige. De hoofdkleur is aan de gelige of grijsrode kant. Het schijnt dat dit gesteente ook op de Ålandeilanden nog voorkomt. Zeldzaam ten opzichte van de vorige soort.

 

Åland-aplietgraniet is het meest voorkomende rapakivigesteente, van gelijkkorrelige, fijne tot middelkorrelige aplietstructuur, veelal met wat grotere maar gelijkgekleurde veldspaten erin, waardoor het porfierische karakter niet opvalt; ovoieden zijn afwezig, de kleur is op de breuk steenrood, grijsachtig, gelig- of violetrood; kwartskorrels zijn soms rijkelijk aanwezig, donkere bestanddelen ontbreken meestal.

 

25. Halengraniet (Zwerfsteen van Emmerschans). De grote tweelingkristallen van microklienveldspaat typeren deze uit Blekinge afkomstige graniet, die gemakkelijk verweert.

 

 

26. Bornholmstreepgraniet (Zwerfsteen van Eext). De meest voorkomende Bornholmgraniet, met uitgesproken gneisstructuur.


 

 

27. Syeniet (Zwerfsteen van Oud-Leusden). In de grijs-wit verweerde veldspaatgrondmassa steken de zwarte amfiboolkristalletjes duidelijk af. Wellicht uit Dalarne afkomstig erraticum.

 

 

28. Dioriet (Zwerfsteen van Amersfoort). Typerend is de bonte verweringskorst: wittige veldspaat in putjes tussen zwartgroene amfiboolzuiltjes. Als vast gesteente nog op veel plaatsen in Fennoscandië, algemeen erraticum.

 

 

 

29. Ornöliet (Zwerfsteen van Rolde). Een veldspaatrijke dioriet, afkomstig alleen van het eilandje Ornö hij Stockholm en daarom zeldzaam. Vondst Van der Lijn, collectie Museum Schokland.

 

 

30. Gabbro (Zwerfsteen van Gieten). Grote amfibolen in een grondmassa van augiet en plagioklaas, de hoofdbestanddelen van deze uit Fennoscandië herkomstige zwerfsteen.

 


 

 

31. Noriet (Zwerfsteen van Urk). Zwarte rhombische pyroxeen in een grondmassa van vooral labrador naast wat albiet. Herkomst Fennoscandië; vondst Van der Lijn, collectie Museum Schokland.

 

 

32. Garberg-granietporfier (Zwerfsteen van Urk). Talloze veldspaatfenokristen met wat biotiet en chioriet in bruinrode grondmassa - een gesteente uit Dalarne.

 


 

pict1.jpg

pict2.jpg

 

59. Rapakivistructuur: zonaire veldspaten, ronde kwartsen.

 

60. Granofierstructuur: doorgroeiing van kwarts en veldspaat.

 

Åland-granofier is de vrij algemene bruinrode aplietgraniet met tal van schriftgranietische vergroeiingen van kwarts en veldspaat in de vorm van haakjes, waaiertjes en rozetjes. Bij grote fijnheid gaat deze over in wormvormige figuurtjes, myrmikiet geheten, vooral zichtbaar aan de oppervlakte van de steen. Een Botnische Golf-granofier met fraaigroene epidoot tussen de myrmikiet vond Zandstra bij Sibculo.
Pyterliet van Åland en Finland is een prachtige grofkorrelige graniet, welke 3 â 4 cm grote kristallen van orthoklaas en microklien bevat, daardoor zeer vatbaar voor verwering en bros onder de hamer. De kwartsen zijn hierin deels mooie dubbelpiramides met vele vierkante doorsneden en liggen in kransen en geïsoleerd om de veldspaten, welke in de Åland-pyterliet vleesrood en in de Finse bruinrood zijn gekleurd. De verhouding in grootte van de kwartsen tot de veldspaten is ongeveer 1: 6 (zie foto 4).
In beide komt wel biotiet voor, geen hoornblende. De Åland-pyterliet komt weinig voor, de Finse is zeldzaam. Een prachtige, 3 m hoge zuil van pyterliet, een zwerfblok, is in Borger te bewonderen als dorpssteen.

Haga-graniet heeft evenals pyterliet korrelkransjes van kleine dubbelpiramides van kwarts, die op de breuk van het gelig bruine of bruinrose gesteente een drukke schittering veroorzaken. De veldspaten zijn gelijk- en middelkorrelig 3—8 mm; aan de verweerde buitenzijde blijken de orthoklazen onder de loupe grof perthietisch te zijn. De zwart schijnende kwartsen worden vergezeld van enkele heldere; de grootte-verhouding van de kwartsen tot de veldspaten is 1 : 2.5. Biotiet en hoornblende komen nauwelijks voor. Haga-graniet onderscheidt zich van alle rapakivigesteenten door gemis aan micropegmatiet. Dit fraaie, gelijkmatige gesteente van de Ålandgroep is zeldzaam. Een goed bewaard exemplaar ligt in het Geologische Reservaat bij Urk.

Vehma-graniet, in de handel bekend als ‘balmoral red’, is een rapakivi-graniet, in Finland in verschillende groeven rond Helsinki ontgonnen en veel voor huizenbouw aangewend, in ons land als grafsteen gebruikt, en zelfs tot Zuid-Afrika verscheept. Het is een gelijkmatige, middelkorrelige, aangenaam rode graniet, bestaande uit goedgevormde hoogrode tot donkerrode veldspaten, vrije heldere en deels ronde kwartsen en zwarte onregelmatige amfiboollaggregaatjes, benevens een weinig topaas, vuilgeel van kleur. In de veldspaten komt wat micropegmatiet en perthiet voor, maar is ook wel afwezig. Verwisseling met de soms rode Åland-aplietgraniet is oppervlakkig mogelijk, maar deze is fijnkorrelig, zonder ronde kwartsen. Zeldzame zwerfsteen.

Viborgiet is een grootkorrelige Finse rapakivi, met bleekrode langwerpige ovoieden met plagioklaasomranding, en hoornblende bevattend. De ringen zijn soms fragmentarisch of ontbreken, de kwartsen zijn 2—5 mm of wat groter, deels rond deels piramidaal. Zeer zeldzame zwerfsteen.

Prick-graniet is aplietisch, fijnkorrelig, met veel stipjes of vlekjes van biotiet met hoornblende en heldere kwartskorrels; de kleur is meestal grijs tot bruin- rood of bruingeel, het natte gesteente vertoont soms grote vlekken, Op de verweringsvlakte komen de basische vlekjes goed uit. Zwerfsteen uit Åland-Finland, niet algemeen. gemakkelijk herkenbaar.

Angermanland-rapakivi is een fijn- tot middelkorrelige graniet met spaarzame één cm grote en kleinere onregelmatige geringde ovoieden en weinige ronde kwartsen. De kleur is wat paarsrood, van hoornblende en gelige plagioklaas ziet men niet veel. Minder algemeen dan de Ålandgesteenten.

Botnische aplietgraniet doet, oppervlakkig bekeken, aan Vislandagraniet denken door de tot twee cm grote suikerkorrelige kwartsaggregaten. Maar de glanzende bruinrode veldspaten zijn krachtiger van kleur, glanzen op de rechtkantige breukvlakken, terwijl bovendien vrijwel alle glimmer bij het Botnische gesteente ontbreekt. Als zwerfsteen zeldzaam.

Finse granieten

Nystad-graniet heet op zijn Fins Uusikaupunkigraniet, een goed kenbaar gesteente ondanks de variaties in kleur, aan de huizen op te merken: lichtgrijs of wit, blauwig, groenachtig of wat geel. Kenmerk steeds de druppelvormige gelige of bruinige kwarts, verspreide glanzende glimmer, toch het beeld van een vrij witte graniet niet verstorend. Fijn tot grofkorrelig, in vele dagzomen bij Uusikaupunki ontgonnen. Hier zeldzaam als zwerfsteen.

Lellainen-graniet. Een fraaie, middelkorrelige Finse graniet van bleekrose kleur, welke wordt versterkt door enige hoogrose, ruim een cm grote fenokristen. Opvallend veel grote en kleine ronde kwartsen verlevendigen het beeld; zij vormen maar gedeeltelijke kransjes. Verder komen Witte, glansloze plagioklazen voor en weinig biotiet, meest als aggregaat. Enige kwartsen zijn donker en troebel, de meeste echter helder. Van drukverschijnselen is niets te bespeuren. Zeldzame zwerfsteen.

Perniö-graniet is een middelkorrelige wat bleekrose bonte graniet met vrij wat, ruim een cm grote fenokristen, veel zwarte stipjes en kleine vlekjes van lepidomelaan en vrij veel heldere kwartsaggregaten, geen in druppelvorm. Plaatselijk soms wat plagioklaas en ook wel veel kwarts, geen myrmikiet, soms wat paralleltextuur. Zeldzame zwerfsteen.

Noordzweedse granieten

Tweeglimmergraniet is een aantrekkelijk, gelijkkorrelig licht getint gesteente, met zowel biotiet als muscoviet, vandaar de naam. De kwarts is grijzig, de veldspaten zijn wittig tot geelrose en tamelijk klein. Aan de buitenzijde van zwerfstenen is de biotiet verweerd, zodat het aanwezig zijn van twee glimmermineralen niet zo opvalt; op een breukvlak schitteren de splijtvlakjes echter fraai. Als vaste rots komt het voor in Ångermanland, ook wel bij Stockholm; er zijn echte richtingloze granieten onder, maar ook typische gneizen, met alle over- gangen daartussen. Benoorden de Overijsselse Vecht geregeld voorkomend, ten zuiden daarvan een zeldzame zwerfsteen.

Refsund-graniet is gemakkelijk herkenbaar door de ongewone groot-kristallijne natuur, met veldspaten van 1 â 5 soms 8 cm, in grijze en rode verscheidenheid, beide met vrije kwartsen, hoekige microklientweelingen en glanzende zwarte of bruine biotiet. Grijze refsund heeft een blauwig grijze of wat gelige hoofd- kleur, de kwartsen zijn blauwgrijs, vormen hier en daar klonters, de microklienen zijn hier het grootst, vertonen parallelle perthiet, en worden omgeven door een vrij grofkorrelig mengsel van veldspaatjes, kwartsen en biotietplaatjes. Deels is de veldspaat plagioklaas, het geheel doet denken aan een grove porfier. Een vrij zeldzaam gesteente, soms middelkorrelig.

Rode Refsund-graniet met geelrose tot bruinige hoofdkleur, gelig grijze kwarts, de grote veldspaten evenals de Vorige door een gelijk mengsel omgeven, over ‘t geheel niet zo grootkorrelig. Ook vrij zeldzaam, eveneens uit Jemtland.

Ragunda-graniet. Een nog al in uiterlijk wisselende graniet, waarvan enkele zure typen wel herkenbaar zijn. Het meest opvallende is wel het bleekrose met wit en wat zwart doorsprenkelde type met veel veldspaat en oppervlakkig gezien weinig kwarts. Hoewel middelkorrelig, komen enkele tot een cm grote microklienen voor, terwijl sommige orthoklazen neiging vertonen tot vorming van een plagioklaasring, een rapakivikenmerk, dat begeleid wordt door het voorkomen van enkele ronde of eironde 2 mm grote heldere kwartsen, soms in groepjes bijeen, maar geen kransen om de veldspaten vormend, zoals bij Haga-graniet. Van Siljangraniet onderscheidt ze zich door een sterker gehalte aan eironde kwartsen, waartegenover Siljangraniet Weer meer plagioklaas stelt. Niet bepaald typerend zijn de microklienperthiet en de splijtende witte plagioklazen. Een zeldzaam gesteente.

pict1.jpg

61. Perthiet, vergroeiing van orthoklaas en plagioklaas.

Mogelijkheden zijn er dat men een Ragunda-graniet vindt met rode kleur, ook kleinkorrelige granofierische of aplietachtige en grootkorrelige op pegmatiet gelijkende. Tenslotte vermeldt Hesemann nog een grijsgroene grofkorrelige variëteit van syenietisch uiterlijk, maar met cm grote kwartskorrels; alle zijn ze vrij arm aan donkere bestanddelen.

Rätan-graniet. Hoewel een groot massief in Jemtland beslaande, komt de zwerfsteen hier weinig voor. Een deel ervan is gneisgraniet. Het uiterlijk is aantrekkelijk: rose tot rood met groen, waartussen wat geel en zwart kan voorkomen. Het rood komt de grote orthoklazen en microklienen toe, het groen in hoofdzaak de fijne plagioklazen (tot 45% van het totaal); het bruinige geel is titaniet, soms in rhombische ondoorzichtige kristalletjes; het zwarte deel is hoornblende en biotiet. Van kwarts bespeurt men weinig. De graniet maakt een wat porfierische indruk en wordt om haar gehalte aan plagioklaas wel tot de granodiorieten gerekend.

Jerna-graniet uit Dalarne, o.a. bij het Siljanmeer, kan afkomstig zijn van verschillende massieven; toch hebben deze granieten vrijwel hetzelfde voorkomen: grijze of wat roodgrijze gespikkelde middelkorrelige granieten, waarin nauwelijks kwarts valt te ontdekken. Het zijn hoornblendegranieten met wat biotiet. De donkere bestanddelen zijn zo rijk vertegenwoordigd, dat het gesteente wel als amfiboolsyeniet wordt aangeduid. Plagioklaas is rijkelijk aanwezig, ook komt wat augiet voor. Vrij zeldzaam.

Siljan-graniet is een grof- tot middelkorrelige biotietgraniet, op de breuk rood of bruinrood, meestal met micropegmatiet, vooral op de verweerde buitenkant te zien. De rode glanzende orthoklazen zijn soms een cm groot en deze geven, bij schaars voorkomen, de graniet een porfierisch uiterlijk; kleinere komen meer voor, waarbij een minderheid aan gelige of witte plagioklaas. De vele vrije, glazige, onregelmatig ronde kwartsen zijn in de veldspaatmassa gelegen; de biotiet is soms zeszijdig, maar ook als aggregaat al of niet met hoornblende gecombineerd schaars aanwezig. De kleinkorrelige en ook de middelkorrelige doen wat denken aan Ragundagranieten, maar het plagioklaasgehalte is daarvoor te hoog. Herkomst bij het Siljanmeer in Dalarne en meer zuidelijk. Niet zeldzaam.

pict1.jpg

62. Geologische kaart van de zuidhelft van Zweden, naar Magnusson (1957)

Dalarne-micrograniet is een nagenoeg kwartsvrije graniet in wit, rose en groen, een vriendelijke combinatie, die herinnert aan helsinkiet. De gelig-groene plagioklaas geeft de toon aan, meestal meer dan de rose orthoklaas. Zwarte vlekjes van hoornblende met biotiet, benevens wat chioriet doormarmeren het gesteente. Middel- tot fijnkorrelig weinig glinsterend; met grondmassa en grote veldspaten overgaand in garberg-granietporfier (zie aldaar). Vrij zeldzame gesteenten.

Middenzweedse granieten

Stockholm-graniet is een fijn- tot middel-, mooi gelijkkorrelig gesteente, van lichtgrijze tint. Het bestaat uit gelijkmatig verdeelde grijs-witte orthoklaas, weinig plagioklaas, vrij veel grijze kwarts en bruinzwarte biotiet. Soms is de graniet rood door impregnatie met ijzermineralen. Een enkele maal komt zoveel muscoviet naast de biotiet voor, dat de naam tweeglimmer-graniet gerechtvaardigd is. In grote zwerfblokken zijn soms gangen van Stockholm-graniet te zien, binnengedrongen in gneis. Enkele zijn breccies van gneis, verkit door de graniet; door metasomatose gaat deze combinatie over in de (als zwerfsteen zeer zeldzame, door Bos in 1961 beschreven) Stockholm-kogelgraniet. In de grondmassa zien we dan kogels van veldspaat en kwarts. Wat vager is Stockholmvlekkengraniet (eveneens zeer zeldzaam) waarbij in de suikerkorrelige door biotiet donkere graniet vage rondachtige vlekken voorkomen, waarvan de kern uit biotiet en de omranding uit veldspaat en kwarts bestaat (Van der Kley, 1946). Samen met de Fellingsbro-graniet als gangen, kleine massieven en grotere massieven tot 20 km diameter nog in grote delen van Midden-Zweden als vast gesteente aan te treffen; als zwerfsteen algemeen voorkomend. Het gesteente is afgebeeld op foto 23.

63. Geologie van de vaste rots om Stockholm, naar Sundius.

Arnö-graniet is eveneens grijs, maar heeft een porfirisch uiterlijk door het voorkomen van 4—6 cm grote grijs-witte orthoklazen in een tamelijk grofkorrelige grondmassa van kwarts, veldspaat en biotiet. Slechts twee zwerfsteenvondsten (Bos, 1956) van dit uit Upland herkomstige gesteente werden bekend.

Upsala-graniet is middel- en gelijkkorrelig, grijs of roodgrijs, rijk aan hoornblende, of biotiet, naast soms veel plagioklaas; ze bezit vaak blauw-grijze kwarts en heeft een metamorf uiterlijk, in de eerste plaats door een deel der verdrukte, gegranuleerde kwartsen, vervolgens door vleksgewijze myrmekietvorming, soms ook door de microklienrasters. Dikwijls bestaat de hoofdmassa uit plagioklaas en hoornblende, gaat ze over in granodioriet. Zeer oude basische concreties komen soms in ‘t gesteente voor. Vrij algemeen, uit Upland. Zie over de Upsala-graniet van Rotstergaast Overweel en Zandstra (1963). Een zwerfsteen ziet men op foto 24.

Sala-graniet lijkt soms sprekend op Upsala-graniet, maar is gewoonlijk lichter van hoofdkleur, wit met spikkels biotiet, of lichtgrijs; veel meer biotiet bevattend dan hoornblende, ook veel kwarts, deels verdrukt. Upland. Vrij algemeen.

Fellingsbro-graniet uit het gebied der Stockholm-granietcomplexen, zowel als bij Grängesberg, Gävle, enz. Verschilt aanzienlijk van de vorige Upland-granieten door de tweelingveldspaten, de roodachtige kleur, de grovere korrel, de heldere kwarts van gelige of grijze tint; ook de plagioklaas is gelig, de microklientweelingen zijn rose of grijs. Gneisachtig. Weinig onderkend, vrij zeldzame biotiet-graniet, waar het blok van Oudenbosch gelijkenis mee vertoont.

Zuidzweedse granieten

Rode Graverfors-graniet. Er zijn twee typen: de grofkorrelige biotiet-graniet met lichtrode of rose veldspaten van 1—2 cm en weinig biotiet; naast de grootkorrelige porfierachtige met warmrode veldspaten van 3—8 cm en veel biotiet. De kwarts is amethistkleurig of grijs en helder, neemt bij de lichtrode een derde van het gesteente in, veel minder bij de andere. Alle mineralen zijn aggregaten, de glimmer ligt op het ongelijke breukvlak bij de rode variëteit als grote rimpelige vliezen. Hoornblende komt wel, plagioklaas niet voor. Afkomstig uit Ostergötland, niet ver van het Bravikenmeer. Niet algemeen.

Grijze Graverfors-graniet, zwart met grijs uiterlijk, geen aantrekkelijk gesteente, grofkorrelig met veldspaten van 3—8 cm en ongewone grijze of zwartbruine kleur, tweelingen veelal. De biotiet, vergroeid met augiet vormt als ‘t ware vliezen in het gesteente, is even rijk vertegenwoordigd als de kwarts. Afkomstig uit Zuidoost-Zweden, hier vrij zeldzaam, ook wellicht als lelijke graniet weer neer geworpen, daar de verwering en roestvorming de zoekers afstoten.

Filipstad-graniet is een zeer sprekende graniet, grofkorrelig, van violet-grijze tot roodachtige kleur, met plagioklaasmantels om de rondachtige grote fenokristen van microklien, omgeven door het wrijvingsproduct van fijnkorrelige glimmer, hoornblende, kwarts en veldspaat, min of meer zich buigend om de ovoieden en daardoor de indruk oproepend van ogengneis. Losse, wat blauwachtige kwartsaggregaten en enkele hoornblendes en biotietplaatjes vallen hier en daar nog op onder de loupe. Afkomstig uit Oost-Wermland en Filipstad omgevende bergstreken. Vrij algemeen als zwerfsteen, en van Loftahammergesteenten te onderscheiden door armoede aan plagioklaas en de grijsviolette kleur der veldspaten.

Loftahammer-graniet is wel een mooi gesteente, met rode orthoklazen, die deels gelige ringen van plagioklazen bezitten. De gelijkenis met Filipstadgraniet valt op, maar deze is niet zo rijk aan plagioklaas en minder kleurig. De witte of groeniggelige plagioklazen in de Loftahammer verscheidenheden bereiken vaak de grootte van een centimeter, biotiet-hoornblendeslingers spreken van deformatie, ook de schaars voorkomende kwartsen hebben wat geleden. Veelal is de graniet een echte gneisgraniet, met wisselende samenstelling van meer of minder kwarts. De omzetting is gneisachtig of wel mylonietisch; zeldzaam is de zeer weinig gedeformeerde, waarvan Van der Lijn een exemplaar bij Urk vond. Vrij zeldzame granieten uit Ostergötland.

Halen-graniet. Deze graniet uit Blekinge (Zuidoost-Zweden) is een scherpkristallijne met 10 â 15 mm lange microklienen, die min of meer evenwijdig liggen, zodat men op een verweringskant soms de indruk krijgt van een muurtje in ‘t klein. De kleur der graniet is geelachtig grijs, zelden roodachtig, de kwarts is grijs, biotiet komt er weinig in voor. De grote veldspaten zijn meest tweelingen. Vrij zeldzame zwerfsteen (zie foto 25). Karlshamngraniet (foto 6) is er een grovere vorm van.

Bohuslan-graniet. Een grijze tot rose graniet met de habitus van Stockholmgraniet, maar scherp-kristallijn, met een duidelijke begrenzing der veldspaten en kwartsen. De veldspaat, voor bijna de helft microklien, glanst, hoewel de plagioklaas reeds wat mat is. De kwarts, voor 30%, valt niet erg op, is lichtgrijs of wat donker, bestaat deels uit losse korrels, is deels geaggregeerd. De biotiet vormt kleine stipjes in het splijtvlak. Soms komen enkele grote porfierische kristallen voor. Vrij zeldzaam, van de kust van Bohuslan.

Smaland-granieten

Deze granieten zijn bijna alle rose, rood of gelig bruinrood, tamelijk grofkorrelig en arm aan glimmer en aan donker mineraal. De kwarts is vaak blauwgrijs, soms wit, heeft eigen vormen of is hoekig, ook wel klonterig, is in enige typen suikerkorrelig. De zwerfstenen ervan zijn niet zeldzaam in Midden- Nederland vooral.

Jungfrun-graniet zou met Haga-graniet kunnen worden verwisseld, daar ze ook korrelkransen bezit, maar van grote grijze kwartsen, terwijl ze ook rode veldspaten heeft. Bij Haga zijn die roodachtig bruin tot bruingeel, bij Jungfrun rood, bovendien ligt er een grijzige tint over deze graniet. De veldspaten zijn groot, 1-3 cm, glimmer is er zeer weinig, onder de loupe verschijnt op een verweringsvlak perthietkwarts. Van ‘t eiland Jungfrun, Oostzee. Vrij zeldzaam. In ‘t Museum op Schokland ligt een mooi stuk.

Virbo-graniet is op het breukvlak een fraaie steen, met grove bruinrode, glanzende veldspaten en grijze kwartskorrels,. welke soms als deel van een krans om de rechtkantige veldspaten liggen. Glimmer, hoornblende en plagioklaas zijn niet of nauwelijks te vinden. Het gesteentebeeld doet soms denken aan Finse pyterliet, vooral ook door sommige tot 3 cm grote microklienen en de vrije kwartsen in schakels. De gedeformeerde Virbo-graniet is minder mooi, heeft meer grijsrode grote veldspaten, omweven door biotietslierten, waartussen vergruizelde kwarts ligt, beeld van een gneis-graniet. Beide zijn niet zeldzaam; ze zijn afkomstig uit Smaland, waar bij Oskarshamn nog een groeve in deze graniet ligt.

Rode Vaxiö-graniet is gewoonlijk een tamelijk grove, gelijkkorrelige graniet die baksteenrood is tot bleekrood. Het gesteente is opgebouwd uit suikerkorrelige kwarts (soms ook in violetblauwe kristallen), rode perthietische microklien, plagioklaas, enige biotiet (groenzwart in slierten) en soms wat hoornblende. Sommige aders ervan doorsnijden de Filipstad-graniet. Het gesteente is 1740 miljoen jaar oud en komt nog in Noord-Smaland voor. Zeldzame zwerfsteen (zie Overweel, 1958).

Grijze Vaxiö-graniet is een kleinkorrelige hoornblendegraniet van onooglijk mat donkergrijs uiterlijk, met gelijkkorrelige structuur, weinig kwartsen, vrij veel tot veel hoornblende met biotiet, tot kortvezelige aggregaten verenigd. De veldspaat is onopvallend, grijs, gelig, deels rose, maar zonder duidelijke korrelgrenzen, en sterk vertroebeld, vooral de plagioklaas. Soms komen grote roodachtige porfierische veldspaten voor; overigens zijn vele voorkomens tot de kwartsdiorieten te rekenen. Van Moëryd-micrograniet te onderscheiden door minder sprekend veldspaataandeel en zwarter uiterlijk. Zeldzaam.

Moëryd-micrograniet is een fijnkorrelige wat zwartige grijsrode graniet, die zich onder de loupe oplost in vrij frisse rose orthoklazen; geelwitte en groengrijze troebele plagioklazen; vrij heldere kwartskorrels; onregelmatige vezelige zwarte hoornblende-aggregaten, blijkbaar met glimmer vergroeid; enkele donkere wat groenige chlorietvlekjes. Vrij arm aan kwarts, rijk aan plagioklaas en hoornblende. Zeldzaam. Smalandgesteente.

Vislanda-graniet. Een gedeformeerde, meestal middelkorrelige Smalandgraniet van grijsrose kleur, met typische suikerkorrelige grijzig witte kwarts en met wat groenige biotiet. De rose veldspaten zijn glanzend op de hoekige breuk of min of meer vertand; het gesteente ziet op enige afstand vlekkerig. Afkomstig van Paskallavik en ten zuidwesten van Växiö in Smaland. Niet zo heel zeldzaam, zeer mooi in ‘t Museum op Schokland. Zie ook Overweel (1958).

Uthammer-graniet. Een grofkorrelige Smaland-graniet van mooi rode kleur en zeer weinig biotiet, met kleine kwartsjes opgesloten in de veldspaten. De meerderheid van de grijze kwarts zit tussen de bleekrode veldspaten ingeklemd, deels in reepjes, deels als rondachtige aggregaten. Plagioklaas vormt in de orthoklaas perthietflarden. Herkomst tussen Oskarshamn en Vestervik. Vrij algemene zwerfsteen.

Bornholm-granieten

Het eiland Bornholm vormt de meest zuidelijke opduiking van de kristallijnen die het Fennoscandische schild mede opbouwen (zie kaartje, Fig. 65). Het eiland (alsmede de zeebodem erom heen) heeft een reeks goed herkenbare gids- gesteenten opgeleverd, gedeeltelijk of geheel roodgekleurd door ijzeroxiden, wat vooral de kwartsen een opvallend aspect geeft. Typerend is de dooreengroeiïng of vertanding der verschillende mineralen (allotriomorfie); de breuk gaat daardoor niet langs kristalgrenzen, en er wordt veel poeder gevormd bij het doorslaan. Meestal bezitten Bornholm-granieten een duidelijke paralleltextuur, zodat van gneisgraniet sprake kan zijn. De helft der Bornholm-typen is lichtgekleurd; Vang, Paradisbakke en vooral Rönne-graniet zijn donkerder.

B

Bornholm-streepgraniet. Een gneisachtig voorkomen door paralleltextuur van zwarte biotietplaatjes en rode roeststrepen; fijnkorrelig, met rijkdom aan roodachtige gegranuleerde kwarts, armoede aan hoornblende, met een enkele porfierische veldspaat tussen de vele kleine, verbrokkelde. Totaalkleur roodachtig vuilwit. Poederig bij afkloppen. Algemeen voorkomend (Foto 26).

Alminding-graniet, een Bornholm-type van zeer zuur karakter, met weinig zwarte biotiet- en hoornblendekorrels in de fijne rose witte door ijzeroxyde roodachtig gevlekte massa van suikerkorrelig uiterlijk en gelijkend op apliet, en ook soms wat streperig. Onder de loupe vertoont zich vrij veel kwarts, ook enkele, wat grotere microklienen en plagioklazen vallen op. Vrij algemeen.

Rönne-graniet. Een gelijk- en middelkorrelige donkergrijze graniet met zwarte hoornblende-aggregaten, veel plagioklaas en weinig kwarts, gelijkt dan een granodioriet. Meestal wat groenig, soms zwak gestreept, gneisgraniet. Ook wel lichtgrijs, fijnkorrelig en rijk aan hoornblende; eveneens soms met enkele tot 3 cm grote rode veldspaten, glanzend op verse breuk. Van zuid-west Bornholm. Zeldzaam.

Granieten uit Vogezen, Odenwald en Spessart

Deze oude kernen van het Midden-Europese bergland hebben via Maas en Rijn ook ons land van granietzwerfstenen voorzien. Bepaald zeldzaam zijn ze niet, vooral niet in die streken die wat dichter bij het oorsprongsgebied liggen; bij Maastricht kan men wel honderd graniet-zwerfstenen op een dag verzamelen! Over het algemeen zijn de stenen nog al verweerd, veel minder fris dan de keien uit Noord-Nederlandse keileem.
Van de Vogezen-granieten vermeldt Van Straaten (1946) allerlei typen: tweeglimmer-graniet, biotiet-graniet, amfibool-graniet, toermalijn-graniet, welke zonder twijfel een nadere herkomstbepaling mogelijk maken.
De Rijngranieten zijn in Nederland nog niet als zodanig onderkend, maar moeten in ons land ook wel voorkomen, gezien het feit dat ze bij Keulen niet zeldzaam zijn. Een groep die nader onderzoek verdient! Er zijn evenmin gegevens beschikbaar over granietische erratica uit de Harz, alhoewel ook deze verwacht kunnen worden.

Syeniet

De naam van dit gesteente is afgeleid van Syene, het tegenwoordige Assoean, waar de oude Egyptenaren een mooie bouwsteen uit het nabij gelegen gebergte hieuwen. Deze bleek bij nader onderzoek een amfibool-biotiet-graniet te zijn, en de naam syeniet is nu overgedragen op kwartsvrije tot kwartsarme gesteenten, waarvan de hoofdmassa is veldspaat, waartussen donkere bestanddelen verspreid liggen.
De korte formule voor ons luidt: syeniet = orthoklaas met augiet òf hoornblende, en aan deze eenvoudige omschrijving beantwoorden wel enkele, zij ‘t ook zeldzame zwerfstenen, als we een gering kwartsgehalte niet meetellen. Deze syeniet kan dan zijn een hoornblende-syeniet, die geleidelijk overgangen vormt naar hoornblende-graniet, waarvan het kwartsgehalte hoger is. Jerna-graniet, ook wel jerna-syeniet geheten, is daar een goed voorbeeld van. Heel anders dan deze zijn de syenieten uit het Oslo-gebied, de zgn. Alkaliprovincie, een zone van 230 km lengte waarin syenieten voorkomen met fraaie blauwgrijze parelmoerschittering der veldspaat, welke zo in trek zijn voor winkelpuien. De nauw samenhangende groep der alkaligesteenten wordt, na de uitvloeiïngsgesteenten, in het vierde part van dit hoofdstuk behandeld.

Ragunda-syeniet is een formatie in Jemtland, nog al noordelijk in Zweden, deel van een laccoliet van ingewikkelde samenstelling. De erratica ervan zijn niet dik gezaaid, ook niet opvallend, zelfs lelijk bruingrijs of ietwat roodgrijs of groenig, glansloos door verwering der veldspaat. Het hoofdbestanddeel, gemiddeld 5 mm grote orthoklazen, veelal goed van vorm. Daartussen liggen kleine korrels augiet, soms tot stofwolkjes verenigd en wat biotiet, maar geen of zeer weinig kwarts.

Augiet-syeniet is eigenlijk de syeniet bij uitstek; augiet is een vijand van kwarts, een vriend van veldspaat en komt dan ook in bijna alle syenieten voor, maar zelden in de exclusieve combinatie augiet + veldspaat. Een exemplaar van Uffelte bestaat uit augiet + veldspaat, maar heeft een aplietische grondmassa. De zuivere typen zijn zeldzaam, mooie liggen in het Museum op Schokland.

Hoornblende-syeniet. Evenals bij glimmersyeniet zijn hier de donkere bestanddelen zeer talrijk. Zij nemen bijna de helft van het gesteente in. Naast veldspaat komen slechts sporen van kwarts voor. Neemt dit gehalte toe dan heeft men vermoedelijk met Jerna-graniet te doen. Schaars voorkomende zwerfstenen (zie foto 27).

pict1.jpg

 

 

 

 

 

66. Epidootkristalletjes,  20 x vergroot, in helsinkiet   van Urk.

Helsinkiet. Rosenbusch wil dit gesteente tot de syenieten rekenen, anderen achten het beter bij graniet op zijn plaats vanwege het kwartsgehalte. Zijn naam draagt het naar Helsinki of Helsingfors, de hoofdstad van Finland, waar het gesteente op een straathoek nog meters hoog te zien is als bleekrose wat paarsachtig rotswerk onder een huis. Het vol-kristallijne gesteente vertoont lichtrose albiet en microklien, vergezeld van kwarts en glimmer, in een cement van donkerrode epidootkorrels. Daar chloriet de groene tint van de epidoot in Zweedse helsinkiet versterkt, kan een prachtige combinatie van rood en groen optreden, fraaier dan bij de Finse helsinkieten met de roodbruine of violette epidoot naast de bleke of witte veldspaat. Door de fijnkorrelige epidoot en de middelkorrelige veldspaat schijnt het gesteente soms wel porfierisch: de grotere veldspaten liggen dan te midden van een kleinkorrelig mengsel van epidoot, chioriet, kwarts en veldspaatjes, dat met een loupe 20x soms wel is te ontwarren; de epidoot vertoont dan tal van heldere, kleine, lijstvormige kristalletjes gelegen in de kwarts of veldspaat, of is opgehoopt tot vrij grote aggregaten. Donkere mineralen ontbreken meestal. Een dergelijke zwerfsteen is op foto 7 afgebeeld.
Over de herkomst zijn wel enige gegevens te verkrijgen. De Zuid-Finse, waarvan hier exemplaren zijn gevonden bij Noordbergum en Valthe, worden vermeld uit Helsinki, de omgeving daarvan, Borga en van het eiland Hogland. Dit zijn de witte en bleekrode helsinkieten met bruinrode epidoot; de Midden- Finse vertonen bruine veldspaat. De Zweedse, groenrode, komen deels uit Helsingland benoorden Dalarne, deels uit de buurt van Norrköping bezuiden Stockholm, tenslotte ook uit de streek bezuiden het Wenermeer, waar de trolhätta-syeniet ook als helsinkiet is herkend. Dan is er nog de Noorse, eveneens groenrode van Kristiansand in Zuid-Noorwegen, die een brede gordel van 50 km lengte vormt. Deze batholiet zou wijzen op een primair ontstaan, de epidoot is dan magmatisch geleidelijk gevormd. Laitakari spreekt van gang- vormen begeleid door pegmatieten bij Helsinki, ingedrongen in fijnkorrelige gneis. Het voorkomen van sporen van kataklase en zwakke deformatie met secundaire epidoot in enkele zwerfstenen vergroot weer de verscheidenheid van dit belangwekkende gesteente, dat vrij zeldzaam hier voorkomt, zowel het Zweedse als het Finse type.

Plagio-syeniet is een troebele zwerfsteen: aan de buitenzijde sterk aardachtig verweerd met witte vlekjes en streepjes plagioklaas en zwarte, fijne hoornblendenaaldjes. Op de breuk donker groengrijs, richtingloos fijnkorrelig, dicht, met witte plagioklaaslijstjes, veel zwarte hoornblendenaaldjes, enkele biotietblaadjes en kwartsjes, soms ook een eenzame rose orthoklaas. Chloriet en epidoot bevorderen de groenkleuring, roestvlekken bewijzen ontbinding. Het onderzoek van Niggli leverde ook nog apatiet, titaniet, sericiet e.a. op, behalve de naam: biotiethoudende hoornblende plagio-syeniet, Van der Lijn vond drie exemplaren: bij Echten, Sleen en Markelo, zwak porfierisch.

Monzoniet

Dit gesteente wordt gekarakteriseerd door de samenstelling van orthoklaas + plagioklaas + donkere mineralen, als groep tussen syeniet en dioriet instaande. Het werd het eerst bekend in het Monzonimassief van Tirol, later pas in Zweden. De labrador in het gesteente is meer idiomorf dan de orthoklaas, in plaats van de labrador ziet men ook wel anorthiet of andesien. De orthoklaas omsluit soms de natronkalk-veldspaat min of meer ringvormig, in de verweringskorst goed zichtbaar, zoals het erraticum dat Van der Lijn in 1948 bij Donderen aantrof: een rapakivi-achtige tekening op de verweerde zijde, kernveldspaten van plagioklaas omgeven door een orthoklaasrand. Onderzoek in Leiden toonde aan: 50% plagioklaas, 20% orthoklaas, 10% augiet, 10% hoornblende, 5% biotiet en 5% accessoria. Monzoniet is een stollingsgesteente dat zeldzaam is op aarde; zwerfstenen ervan zijn zeer schaars. De herkomst onzer zwerfstenen kan zijn Finland, of Zweeds Lapland; Högbohm vermeldt Kirunavara in Zweden, ook Ragunda wordt genoemd. Gewoonlijk zijn de gesteenten grijs van kleur, daar de roodachtige veldspaat ondergeschikt is. Ook van Eskilstuna is monzoniet bekend.

Nordingra-monzoniet (vroeger gabbro-syeniet geheten) is een in Ångermanland voorkomend gesteente, waarvan enkele vondsten in Nederland bekend zijn, zoals de vondst van Van der Lijn te Maarn, in het Museum te Amsterdam. De gesteenten zijn geassocieerd met de Angermanland-rapakivi, waar ze als dek overheen liggen. In een medium van rose-rode orthoklaas met wat kwarts, biotiet en hoornblende liggen grote groenige plagioklaastabletten.

Dioriet

Deze naam betekent de herkenbare of onderscheidbare (naar het Grieks diorizein = onderscheiden) en is aan het gesteente gegeven door de petrograaf Hauy, omdat de afzonderlijke hoornblendezuiltjes met het blote oog soms zo mooi erin zijn te herkennen. Deze idiomorfie moet men niet te vaak verwachten, daar kristalletjes veelal zijn aaneengegroeid tot aggregaten, ten dele ook weer werden geresorbeerd. Minder algemeen als graniet, nooit in rode, bruine of grijs-witte kleur, bijna altijd donkergrijs, zwartbont of donkergroen, herkent men het vrij spoedig onder onze zwerfstenen, waartussen dioriet veel voorkomt (foto 28).
Dioriet is gekarakteriseerd door de componenten plagioklaas en amfibool. Orthoklaas is in onbeduidende hoeveelheid nog wel eens aanwezig, maar de grote massa witte of wat roodachtige veldspaat is min of meer kalkrijke plagioklaas, oligoklaas, andesien en verwante soorten; ook komt wel wat pyroxeen voor. De vorm der natronkalk-veldspaten is tamelijk verschillend; bij normale ontwikkeling zijn het dikke tabletjes, bij afnemende korreling doen ze zich voor als fijne dunne tafeltjes, die op hun kant slechts smalle lijstjes laten zien. Soms zijn veldspaten ringvormig. De amfibool is gewone hoornblende van groene tot groenzwarte kleur, in grove dioriet van kort prismatische vorm met onduidelijke eindvlakken, in fijnkorrelige soorten overgaande in lange, dunne zuiltjes. Indien we glimmer in dioriet aantreffen zullen we deze herkennen als zeshoekige plaatjes van bruine of rood-bruine kleur, die biotiet blijken te zijn. Door de rijkdom aan veldspaat treedt bij dioriet zeer sterke verwering op, zichtbaar o.a. aan de krijtachtige mineraalsubstantie tussen donkergroene amfiboolrichels. Daar zaten de veldspaten, die thans het loodje hebben gelegd: eerst werden ze troebel, mat en min of meer ruw, langzamerhand aardachtig; bij sterke vergroting ziet men dan fijnschilferige of korrelige aggregaten van witte, grijze of groenachtige kleur, die gedeeltelijk calciet, deels kleurloze glimmer of sericiet en voor de rest kaolien zijn. Tegelijk had echter een ander proces plaats, daar chlorietachtige omzettingsproducten uit de femische bestanddelen zich in de veldspaten afzetten en deze groenachtig kleurden, tot er tenslotte niets meer van overbleef dan de vorm, en de plaats geheel was ingenomen door de indringers. Dit verloop, in vereniging met de omzetting van ijzerhoudende componenten (behalve tot chioriet ook nog tot serpentijn, calciet en kwarts) geeft aan de diorieten tenslotte het eigenaardige uiterlijk, dat men de groensteenhabitus noemt. De grote meerderheid onzer diorieterratica laat de beschreven verweringsverschijnselen slechts aan de oppervlakte zien en levert ons daarmee tevens een gemakkelijk herkenningsmiddel te meer, vooral omdat ook de ruige verwering met de harde, warrige amfiboolrichels een zeer typisch beeld geeft, dat nooit bij granieten aldus voorkomt.
Naar de bestanddelen spreekt men van hoornblende-dioriet, de meest voorkomende, van kwarts-hoornblende-dioriet, van biotiet-kwarts-dioriet, van kwarts-augiet-dioriet, de zeldzame overgang naar gabbro; van de eveneens zeldzame syenodioriet, en de meer voorkomende granodioriet.

pict1.jpg

 

 

 

67. Dioriet: links op verse breuk, rechts verweringsvlak.

Biotiet-hoornblende-kwarts-dioriet is een sombergrijze steen van Nieuw Dordrecht, gevonden door Loman. Uit slijpplaatjes onderzoek bleek: plagioklaas als oligoklaas-andesien 50%, biotiet 5%, hoornblende 25%, kwarts 18%, rest zirkoon, apatiet, chloriet. Opmerkelijk zijn de tot twee centimeter lange en tot vier millimeter brede hoornblendes, soms in gaffelvormige of gekruiste vergroeiing, zwart. Herkomst onzeker, wellicht van Ornö. Zie het Museum te Leiden.

Ornöiet is hoornblende-arme dioriet van het eiland Ornö, zuid-oostelijk van Stockholm, licht van kleur, grijs of licht roodachtig met vleksgewijze insprenkeling van donker mineraal, zeer wisselend van uiterlijk, zelfs in een hand- stuk ongelijk, daardoor opvallend verschillend van de gelijkmatige dioriet. Zie foto 29. Over ‘t geheel richtingloos korrelig en soms ietwat parallel van textuur, komen ook zuiver porfierische stukken voor, met grove hoornblendes en plagioklazen boven het middelkorrelige uitgaande. De plagioklaas is meestal fris en vormde kristallen met eenvoudige omtrekken of slierten; zij bestaat uit andesien en oligoklaas; microklien is weinig aanwezig en vaak perthietisch in de plagioklaas gelegen. De hoornblende bevat in de kern vaak diopsied en is veelal met ertsen en biotiet tot aggregaten verenigd, ook wel met plagioklaas en apatiet poikilietisch doorgroeid. Het massief van Ornö heeft een serie van verwante gesteenten opgeleverd, welke o.m. de alkaligranieten benaderen, terwijl ook nog intrusies voorkomen van ornöietapliet, nog armer aan hoornblende dan de ornöiet zelf. Enkele vondsten in Nederland; men zie het Museum op Schokland.

Granodioriet is de overgang naar graniet; in hoofdkleur grijs of bruin, maar bij nadere beschouwing met rose, rode of groenig grijze veldspaatjes en zwarte mineraalhoopjes vrij gelijkmatig verdeeld tot een fijn- of middelkorrelige glanzende massa, die zowel aan een amfibool-syeniet als aan dioriet doet denken, meer dan aan graniet, hoewel vrij wat kwarts kan optreden, meest in kleine korrels; de veldspaat is orthoklaas en daarnaast labradoriet, in dit opzicht nadert ze wat tot kwarts-dioriet, die weinig of zelfs geen orthoklaas bevat, maar dan weer andesien als plagioklaas. Zulke gesteenten komen in Smaland en in het Åland-Finland-gebied voor, maar werden hier tot dusverre weinig herkend. Upsala-graniet en Rönnegraniet komen dicht bij de granodiorieten.

Syeno-dioriet is een ietwat porfierisch zwartgrijs gesteente met lichtgrijze en rosegrijze of geheel rose veldspaten doorspikkeld; de hoornblende (die ongeveer de helft van het gesteente uitmaakt) is goed herkenbaar, de matglanzende plagioklaas is labradoriet en neemt ± 35% der massa in, de goed gevormde orthoklaas ± 15%. Slechts enkele vondsten.

De moedergesteenten van onze dioritische erratica moeten we zoeken in verschillende streken van Zweden, vooral in Midden- en Oost-Smaland; diorieten o.a. van het Zwarte Woud of Vogezen schijnen ons land niet te hebben bereikt.

Gabbro

Met de Italiaanse naam gabbro duidt men sinds eeuwen in dat land van steen- bouwkunst een diallaaghoudend serpentijngesteente aan, terwijl men met de term granito di gabbro wil uitdrukken de structuurverwantschap met graniet, het type van de vol-kristallijne, korrelige gesteenten. Wij verstaan tegenwoordig onder gabbro in het algemeen een gesteente opgebouwd door basische plagioklaas, vooral oligoklaas, en diallaag, met of zonder olivijn. De oligoklaas is wit of grijs, bruin of groen, bijna nooit rood, en vormt aaneengegroeide klonters van samengekristalliseerde dubbeltallen of uit lamellen opgebouwde individuen, soms met duidelijke en brede tweelingstreping; slechts zelden zijn het dunne plaatvormige kristallen; in vele gabbro’s komt labrador als veldspaat voor. De diallaag vormt schilferige aggregaten zowel als onregelmatige hoekige korrels, die tussen de plagioklaas uitwiggen; van kristalvormen ontdekt men veelal weinig, wel ziet men op de dwarsvlakken de vele splijtscheurtjes, terwijl de metaalglans opvallend is, en de kleur groen of zwartgroen, zelden bruin; aan- of ingegroeid vallen soms vreemde partijtjes op van door omkristallisatie ontstane groenige chloriet of serpentijn en donkergroene amfibool. De olivijn doet zich in onze gabbro’s zelden voor als in basalten, fraai groen of groengeel, maar is meestal bruin of kleurloos. Daar ze slechts kleine korrels vormt, die bij verwering roest in scheurtjes en spleten doen ontstaan, valt ze zeer weinig op.
Ook de voorafgaande componenten vaak vergezellende ijzerertsen, o.a. magnetiet, zijn zelden goed zichtbaar; gewoonlijk verraden zij zich door het hoge soortelijk gewicht van het gesteente, dat tot boven drie kan stijgen en bij wikken op de hand tegenover graniet en syeniet ons al wat op weg kan helpen bij de determinatie. Hoewel nu gabbro in verscheidenheden kan voorkomen, o.a. met meer oligoklaas dan kalkrijke plagioklaas, met een andere pyroxeen dan diallaag; ook al met wat biotiet en zelfs met amfibool, als amateur houden we onze algemene korte formule vast voor de gewone gabbro geldend: gabbro = plagioklaas + veel donker mineraal en trachten vooral gabbro te onderscheiden van dioriet, waar ze gemakkelijk mee wordt verward. Bij determinatie met het bijgaande schema vindt men wel enige van de kenmerken, die in een hand- stuk duidelijk genoeg spreken door de tegenstelling. Men vergelijke ook de foto’s 28 en 30.

(Gewone) Dioriet

(Gewone) Gabbro

1.      Gesteente bevat amfibool.

2.      Donker bestanddeel meestal glasglans vertonend.

3.      Oppervlakte duidelijk bont, vooral door witte verwering der veldspaat.

4.      Hoeveelheid veldspaat meer dan de helft, gewoonlijk driekwart van het gesteente.

5.      Kwarts soms voorkomend.

6.      Orthoklaas zelden megascopisch aanwezig.

7.      Soortelijk gewicht 2.7 tot 2.9.

8.      Zwerfsteen kan gemakkelijk in stukken gehamerd worden, meer bros dan taai.

9.      Ophietische structuur komt niet voor.

10.  Magneet, aan een draadje hangend zelden tot de steen aangetrokken.

1.      Gesteente bevat pyroxeen.

2.      Donker bestanddeel meest metaal of bronsglans.

3.      Oppervlakte onduidelijk bont of effen, donker tot geheel groenzwart.

4.      Hoeveelheid veldspaat minder dan de helft, kleine veldjes tussen donkere mineralen.

5.      Kwarts niet voorkomend.

6.      Orthoklaas niet aanwezig.

7.      Soortelijk gewicht 2.9 tot 3.1.

8.      Zwerfsteen zeer hard en taai onder de hamer, schijnt aan de randen soms pletbaar.

9.      Ophietische structuur soms voorkomend.

10.  Magneet, aan een draadje opgehangen, wordt veelal vastgezogen.

N.B. Een zeer sterke magneet wordt door vele gesteenten aangetrokken, vooral door basalt en diabaas.

Over het algemeen zijn de gabbro-zwerfstenen zeer donkere, vaak zwarte, vuil- zwarte of donkergroene stenen, met een fris grijsgroene, donkergroene of zwart- bonte breuk. De oppervlakkige verwering en de uitvreting door erosie gaan meestal slechts één of twee millimeters diep, maar sommige zijn als gerolde vuursteen zo effen en gaaf en laten dan aan het oppervlak reeds de schittering der mineralen zien (vooral onder de loupe) bij keileemexemplaren. Naar de structuur is gabbro typisch hypidiomorf-korrelig, terwijl kwarts bijna altijd ontbreekt. Toch is er nog een grote verscheidenheid in de familie, waarvan enige leden wel zijn te herkennen. Een serieuze stenenvriend weet er tenslotte vrij goed de weg ‘in te vinden. Hier is dan de familie.

Gewone gabbro

Hoornblende-gabbro

Glimmer-gabbro

Olivijn-gabbro

Magnetiet-gabbro

Noriet

Olivijn-noriet

Hyperiet

Anorthosiet

Peridotiet

Pyroxeniet

= basische plagioklaas + augiet

= basische plagioklaas + hoornblende

= basische plagioklaas + glimmer + augiet

= basische plagioklaas + diallaag + olivijn

= gabbro met ijzererts doorweven, zeer zwaar

= basische plagioklaas + rhombische pyroxeen

= basische plagioklaas + rhomb. pyroxeen + olivijn

= tussenvorm van gewone gabbro en noriet

= aan donkere bestanddelen zeer arme gabbro

= olivijn-gabbro met weinig of geen veldspaat

= zuiver pyroxeengesteente, augietrots.

Wordt hier hyperiet als overgangsvorm aangewezen, toch komt deze typisch voor, evenals de andere tussenvormen, al dragen die niet alle een bepaalde naam. In geen enkele gabbro ontbreekt b.v. geheel de hoornblende, in hoornblende-gabbro vindt men nog altijd wat augiet, in geen noriet is de diallaag geheel afwezig, terwijl wat olivijn eveneens wordt opgemerkt. Het laatste drietal Vormt uitersten, die ook wel als afzonderlijke families worden opgevat welke nog weer uit een aantal leden bestaan, die alle een persoonlijk stempel dragen. Zie de ‘zwarte lijst’ achterin.

Hoornblende-gabbro onderscheidt zich van dioriet door de gehele habitus en door de meer basische natuur van de veldspaat. De bruinig groene tot zwart- bruine hoornblende vormt hier compacte, zelden idiomorfe individuen, vaak met diallaag vergroeid en soms begeleid door olivijn. Dit gesteente is een in Smaland veel verbreid type, dat onder onze zwerfstenen de echte augiet-gabbro’s overvleugelt. Zie foto 30.

Glimmer-gabbro komt eveneens in Smaland voor; deze bevat een vrij groot gehalte aan biotiet naast pyroxeen en zelfs een weinig kwarts; heeft ook niet de diallaag-habitus, doet wel aan een Upsala-graniet denken bij oppervlakkige beschouwing.
Behalve de beschreven gabbro’s komen nog twee andere in aanmerking, ontstaan door oeralitisering of saussuritisering; de laatste is de meest ingrijpende. Terwijl de eerste uiterlijk weinig aan de habitus van ‘t gesteente schijnt te veranderen, schept de laatste een zeer gewijzigd gesteente.

 

 

68. Oeralietvorming, uit augiet ontstane amfibool

Oeraliet-gabbro vertoont aan de oppervlakte grijsgroene of donkergroene kristallen en aggregaten van groene hoornblende, die de augietvormen heeft vervangen. Het zijn meestal macroscopisch dichte of warrige massa’s, soms ontwaart men penseelvormige bundeltjes. Bij witte kaolinisering tevens van de veldspaat kan een fraai gesteente ontstaan. Verscheidene vondsten ervan zijn uit Nederland bekend.

Saussuriet-gabbro is een zijdeachtig glanzend groengrijs middelkorrelig zwaar gesteente, op een breukvlak stoffige groenzwarte of grijsgroene, ietwat glinsterende kristallen vertonend. Het is een gabbro waarin de veldspaat grotendeels of geheel werd vervangen door saussuriet, een mengsel van zeolieten met albiet, eventueel met chioriet, granaat enz. De tevens uit pyroxeen ontwikkelde hoornblende kreeg een groene kleur, de hoornblendenaaldjes doorgroeiden mede de veldspaten en het geheel werd een taai vezelgesteente, dat met een hamer zeer moeilijk valt te verbrijzelen. Soms is het maaksel onveranderd gebleven, maar meestal is het ietwat schisteus. Een zeldzaam gesteente.

Magnetiet-gabbro bevat onder andere mineralen vooral een hoeveelheid magnetiet, die in onze zwerfstenen een roestige omzetting zal vertonen. Een dergelijke zwerfsteen door Van der Lijn gevonden zou zeer goed als schisteuze gabbro kunnen worden bestempeld, bevat ietwat gestroomlijnde veldspaten, de augieten schitteren op de breuk. Een zeldzame verschijning.

Radmannsö-gabbro staat bekend als anorthiet-gabbro; het veldspaatpoeder. met zoutzuur gekookt, lost op en gelatineert bij afkoeling zeer snel. Deze werd hier nog niet zeker herkend. Deze gabbro en de Roszlagen-gabbro vormen de weinige gidsgesteenten onder de familie die in Upland, Wermland, Smaland en Ångermanland in meerdere massieven voorkomt, maar steeds grote gelijkenis vertoont.

Noriet. Een meestal grootkorrelig gesteente van zwartige of zwartgroene kleur en aan de oppervlakte met zwarte augiet-aggregaten, die tezamen een net vormen waartussen de plagioklazen verdiept zijn overgebleven. Hoewel deze grotendeels labrador-kristallen zijn, merkt men zelden iets van parelmoerglans, temeer daar deze door verwering, hoofdzakelijk verkalking, grotendeels in witte albiet zijn omgezet, terwijl ontstane chloriet en epidoot het grijziggroene uiterlijk der veldspaat voltooien. Zie foto 31. De rhombische pyroxeen, het andere bestanddeel, is bronskleurige bladerige bronziet of hyperstheen, meestal glanzend zwart, met rechthoekige splijtvlakjes, samen onregelmatige aggregaten vormend. Diallaag, amfibool en biotiet zijn hier accessorische mineralen.

Olivijn-noriet bevat nog een hoeveelheid olivijn, al is deze megascopisch moeilijk te vinden. Deze onderscheidt zich daardoor van larvikiet en essexiet, waarmede de noriet nog al eens wordt verwisseld. De norieten zijn vrij zeldzame zwerfstenen, afkomstig uit Zuid-Noorwegen of uit Zweden bij Kalmar of noordelijker.

Hyperiet, ook wel hyperiet-gabbro genoemd, is de tussenvorm van gewone gabbro met noriet, maar heeft het uiterlijk van een basaltachtig gesteente. Meestal is het fijnkorrelig tot dicht, zelden middenkorrelig of grofkorrelig, zoals de hyperiet van Taberg. Een grove vond Loman bij Urk. Op het breukviak is het gesteente metaalachtig zwartglanzend; het bestaat uit de gewone gedrongen augiet-kristalletjes, waartussen overal dunne lange augietnaaldjes schitteren. Waar de lengte der kristallen vanaf de gewone augiet tot de aegirien-augiet in het algemeen toeneemt, kunnen we hier deze twee soorten augiet duidelijk onderscheiden. De rectangulaire breuk is hier fraai. Onder een sterke loupe ontwaart men bestoven bruinige of groenig-grijze plagioklaas, naast betrekkelijk weinig augiet, hyperstheen, olivijn, apatiet. Soms komen enkele verspreide sneeuwwitte veldspaten ingesprenkeld voor, zoals in het frisse exemplaar dat Van der lijn bij Wierden vond. Bij grotere hoeveelheid dezer laatste, gepaard gaande met min of meer evenwijdige ligging en gerekte vorm, treedt gelijkenis met een diabaas of dioriet op. Deze verscheidenheid komt voor o.a. van Olme bij Kristinehamn. Ook uit Wermland tussen het Wenermeer en de Noorse grens, Smaland, Schonen en Zuid-Noorwegen zijn wellicht hyperieten tot ons gekomen, maar niet altijd als zodanig herkend. Ze blijven echter zeldzaam, ook in Drenthe.

Anorthosiet is de bijna geheel uit anorthose = plagioklaas bestaande gabbro of labradorrots, om de soms voorkomende parelmoerachtige schittering der labrador-plagioklaas, die de hoofdmassa

van het gesteente uitmaakt, terwijl de donkere bestanddelen veelal nauwelijks zijn vertegenwoordigd. Tengevolge van deze samenstelling ontstond een lichte kleur, violetgrijs, grijswit, gelig of een weinig bont; in kleine stukken ontbreekt soms elk spoor van augiet, bij verwering treedt een gelige kleur der vrij grove veldspaten op. Maar ook zwarte stukken komen voor, fris glanzend op de breuk, met grove veldspaten, die zwart schijnen, maar het doorschijnende licht niet terugkaatsen, blijkbaar doordien ze vol fijn ertsstof zitten; tweelingstreping is er onder de loupe prachtig aan te zien, vrije augiet ligt er weinig tussen. Labradorschittering is bij deze zwerfstenen maar matig op te merken, de gesteenten verweren licht door het hoge veldspaatgehalte; onder de hamer blijken ze vrij bros. Het gesteente heeft bij de discussies over de herkomst der gesteenten van de Zuiderzeeweringen nog al aandacht getrokken. De exemplaren van de dijk bij Medemblik behoren alle tot het lichte type, zijn blijkbaar van één oord, en dus aangevoerd. Als vaste rots komt anorthosiet voor over grote oppervlakte bij Bergen en Ekersund in het Zuidwesten van Noorwegen; ook is het bekend Uit Zweeds Lapland. Overgangen naar zwak vuilgrijze of lichtbonte noriet en hyperstheengraniet zijn mogelijk. Hoewel zeer zeldzaam als zwerfsteen zal anorthosiet wel eens over ‘t hoofd zijn gezien, of niet herkend. Bos (1963) vermeldt een erraticum van albietrots, gevonden te Zeijen.

Pyroxeniet is eveneens een veldspaatarme of veldspaatvrije grensvorm, maar verschilt van de vorige door grote armoede aan olivijn, waardoor het van nature een veelal donkerder, zwarter uiterlijk heeft. In dit donkere ijzerrijke gesteente zijn de augieten opvallend glanzend. De mineralen, die de pyroxenen vergezellen, verschillen niet van de bij de peridotiet vermelde, ook de overgang naar serpentijn komt voor. Een typerende pyroxeniet is min of meer porfierisch met fijnkorrelige tot dichte grondmassa en rijk aan fenokristen van pyroxeen, arm aan die van biotiet of plagioklaas, met een hoog s.g. dat boven 3 uitstijgt. Als zwerfsteen zeer zeldzaam, door Van der Lijn gevonden bij Oldebroek en Wierden. Herkomst vermoedelijk Oslo-gebied, waar analoge grensfaciesvormen van abyssiche gesteenten een zeer gewone verschijning zijn, alle uit één magma ontstaan.

Olivijn-gabbro is een normale gabbro, dus bestaande uit pyroxeen + plagioklaas, maar tevens vrij veel olivijn bevattende, welke de steen duidelijk een groene tint verschaft, zoals de vondst bij Sleen van Van der Lijn. Men moet dit gesteente wel onderscheiden van het volgende.

Peridotiet is een grijsgroen tot zwartgroen gesteente met vettig glanzende breuk, nagenoeg veldspaatvrij, een tegenhanger van anorthosiet. Het hoofdbestanddeel is peridoot = olivijn, verder komen voor diallaag, rhombische pyroxeen, hoornblende, biotiet, ijzererts, soms ook granaat. Het soortelijk gewicht is hoog, omtrent 3.

Duniet is een vorm van peridotiet, die bijna geheel uit olivijn bestaat, een vetglanzende grijsgroene of geelbruine, veelal suikerkorrelige massa met ingesloten glanzende olivijnkristallen en weinige donkere mineralen, een vrij bros gesteente vormend, soms schisteus. Een exemplaar uit Gaasterland beantwoordt aan deze beschrijving, is geelbruin, welke kleur ook voorkomt bij olivijn, wanneer deze namelijk titaanhoudend is, of door ijzerroest is gekleurd. Rosenbusch noemt als voorkomens Jemtland, Westerbotten, Oslogebied. Dit gesteente kan ook deels of geheel verserpentiniseren; zie bij serpentijnrots.

Skarn kan met de voorgaande gesteenten worden verwisseld; het is een contactgesteente van nabije ertsafzettingen, dat uiterlijk wat op kwartsiet gelukt, groene slierten en banen met grijze, ook wel witte en rose velden vertoont, maar dadelijk is te herkennen aan het hoge soortelijk gewicht tengevolge van ijzerrijkdom of mangaangehalte. Chemisch is ook kalk aan te tonen in meerdere verbindingen. Met de loupe begint men er niet veel mee. In het Oslogebied, zowel als in Midden- en Noord-Zweden komen skarngesteenten voor. De naam betekent afval, opruiming. Van der Lijn vond een tweetal exemplaren op de Aardjesberg bij Hilversum, en een bij Amersfoort, welk laatste exemplaar berust in het Geologisch Instituut te Amsterdam.

GANGGESTEENTEN

Apliet

Onder deze naam vat men een groep van zeer fijnkorrelige ganggesteenten samen die zich kenmerkt door een gewoonlijk gering gehalte aan donkere bestanddelen. Meestal vinden we graniet-apliet, die zich typeert door rijkdom aan veldspaat en kwarts, en zeer licht van kleur is, meestal wit of rose, zelden rood. Door de fijne korreling en de lichte kleur zien de amateurs apliet wel eens voor zandsteen aan. De naam schijnt afkomstig te zijn van haploos = eenvoudig. Sommige ganggesteenten zijn zeer variabel door sterke beïnvloeding van neven- gesteenten. Andere zien er ongeveer als basalt uit, bestaan uit veldspaat met een donker mineraal erbij: de lamprofieren. Ganggesteenten zijn soms goed panidiomorf d.w.z. de mineralen zijn voor een groot deel door kristalvlakjes begrensd, zodat op de doorsnede veel rechte grenslijntjes zijn te zien. De ongeveer gelijktijdige uitscheiding der mineralen uit het magma verhindert het proces gewoonlijk in zijn volkomenheid, zodat dan allotriomorfie regel is; soms treedt door onderbreking in de kristallisatie een tweetal generaties der veldspaten en kwartsen op, waarbij toch de laatste kristalletjes niet de ruimte geheel opvullen, zodat er openingetjes blijven als tussen de suikerkorrels; men spreekt in dit geval van een miarolietische structuur (zie foto 49). Veelal krijgen de eerst ontstane, goedgevormde kristalletjes substantie toegevoegd uit het restmagma, waardoor de kristalvormen worden verdoezeld, zodat er bij apliet dan ook tenslotte van idiomorfie niet veel overblijft. De lichte kleur loopt in ‘t grijsgele, grijsachtig witte of rose, zelden in ‘t rode; in de meeste gevallen is veldspaat verreweg het belangrijkste bestanddeel; soms ontbreekt de kwarts bijna geheel. Onder de schaarse, donkere bestanddelen zijn de glimmers overwegend, maar zelden idiomorf, zoals bij graniet vaak het geval is; in apliet bestaan ze uit fijne schubbetjes en rondachtige of rozetvormige aggregaten. De kwarts daarentegen vertoont zich als rondachtige korrels, zelden als dubbelpiramides. Als bijmengsel treedt vaak een granaatsoort op, nl. rode of bruine almandien, die de apliet soms geheel doorspikkelt en onder de loupe prachtige kristalletjes te zien geeft. Ook toermalijn en amfibool komen voor.

 

 

 

 

 

 

69. Aplietstructuur 10 x vergroot: wit veldspaat, gestippeld kwarts, zwart glimmer.

De aplieten hebben altijd sterk het karakter van het dieptegesteente, waarin of waarbij ze zich afzetten. Graniet, bestaande uit veldspaat, kwarts en glimmer heeft naast zich apliet, opgebouwd uit dezelfde componenten, maar met veel minder glimmer. Syeniet, van dezelfde samenstelling min de kwarts, heeft het aanzijn gegeven aan syeniet-apliet, waarin eveneens de kwarts ontbreekt; evenzo heeft men dioriet- en gabbro-apliet ontdekt, dus met plagioklaas als veldspaat. Vooral de gangstukken waarin de dunne zeer licht gekleurde aplietgangen afwisselen met de doorbroken graniet of glimmerschist, zijn soms bijzonder aantrekkelijk, evenals stukken waarin pegmatiet is doorbroken door apliet. Een groot exemplaar ligt in de tuin van het Museum op Schokland. Hoewel graniet-apliet vrij veel voorkomt is ze, gezien de herkomst uit smalle spleten, niet zo algemeen als gesteenten uit wijde gangen. De herkomst der graniet-aplieten is zelden aan te geven. De meeste komen wel uit Zweden; in Zuid-Limburg is een exemplaar gevonden bij Elsloo, vermoedelijk afkomstig uit de Vogezen.

Ytö-apliet is een witte of grijs-witte glinsterende apliet met enkele vlekjes van glimmer en schaarse 2—3 mm grote grijzige kwartsen in een suikerkorrelige grondmassa, waarin ook grote orthoklazen voorkomen met hoge glans. De graniet-apliet gaat onmerkbaar over in apliet-graniet met een gelijkmatige grondmassa van biotiet, kwarts en veldspaat. Herkomst Finland, o.a. Viborggebied. Zeer zeldzaam. Van den Bosch vond een exemplaar in een straat van Steenwijk.
De syeniet-aplieten zijn bijna alle uit het Oslogebied afkomstig. Maar deze zijn zeldzaam. Een rode met grote zwarte vlakken van augiet-fragmenten zag Van der Lijn tweemaal, maar het maaksel is mylonietisch.

Dioriet-apliet is het lichtgrijze ganggesteente van de dioriet, met dezelfde samenstelling, maar fijner van korrel, en met allotriomorfe structuur; met de loupe, evenals bij graniet-apliet, wel waar te nemen; een veelvuldige rechte kristalbegrenzing van de ± 2 mm grote amfibooltjes en plagioklaasjes. Hoewel deze laatste gewoonlijk in de meerderheid zijn en het gesteente daardoor lichtgrijs ziet, vond Van der Lijn te Hilversum een exemplaar dat voor de helft uit amfibool bestaat. Er zijn weinig dioriet-aplieten tot dusverre gevonden. De steen van foto 21 is wel een van de fraaiste.

Kullaiet hoort mede in deze groep thuis. Het komt op het vasteland van Zweden maar op twee plekjes voor; de gangen op Kullaberg (een kaap in het Skagerrak) zijn rossig tot roodbruin, die van Dalby bij Lund grijsgroen. De rose tot rode veldspaten zijn ophietisch, vertonen zich als haken en lijsten (zie Fig. 84) tussen witte kalkspaat, groene delessiet en wat pyriet. Gezien de minimale voorkomens een zeer zeldzame zwerfsteen; toch wel enkele vondsten als zwerfsteen in Nederland, ongetwijfeld mede door het opvallend karakter van dit ganggesteente.

Pegmatiet

Wat de apliet in het klein vertoont, laat pegmatiet ons in het groot zien, nl. goedgevormde kristallen, vooral van veldspaat, soms ter grootte van een vuist, ja wel eens een halve meter in doorsnede; en glimmerplaten als tafelborden, al komen zulke grove pegmatieten weinig voor, zodat wij die onder onze zwerfstenen niet aantreffen. Toch kunnen we flinke verzamelstukken met rechtkantige, volgens de kristalvlakken gespleten orthoklazen of microklienen, en met glimmerplaatjes als een muntstukje, wel bemachtigen; zeer zelden grotere. Blokken, d.w.z. zwerfstenen groter dan 20 cm en meer dan 10 kg zwaar zijn zeldzaam, enkele van ± 50 cm zijn aangetroffen. De kwarts vormt meestal grote, als het ware geknede klonters, waaraan nauwelijks een enkel kristalvlak opvalt, maar ook, bij uitzondering, een goed gevormde dubbelpiramide. Granietpegmatiet is in wezen een grootkorrelig kwarts-veldspaat-gesteente, verwant aan graniet. Meestal zijn de pegmatieten fraaie gesteenten, die iedereen aanspreken. De veldspaat geeft de kleur van het gesteente: wit, rose of rood bij de gewone granietgangen. De kaliveldspaat is veelal de fraai glanzende microklien, soms prachtig rood.
Behalve de glimmer, die muscoviet is, of biotiet in nesten of plaatjes, komen soms ook grote granaten en allerlei andere mineralen voor, vooral toermalijn. Is in de regel pegmatiet grootkorrelig, overgangen naar apliet vindt men vrij veel, waarom we verstandig doen de grens naar beneden op een veldspaatkorreling van een halve centimeter te stellen, daar die van apliet gewoonlijk één à twee millimeter bedraagt en soms nog fijner is.
Evenals apliet komt pegmatiet in gangen en aan randen voor als stollingsproduct van restoplossingen van granitisch magma. Na de vastwording van de graniet bleven vele vluchtige bestanddelen over, arm aan ijzer, magnesium en calcium, maar rijk aan silicium, kalium, natrium en die elementen, welke zich door grote vluchtigheid kenmerken: fluor, chloor, boor, fosfor, enz. Deze werkten verdunnend op het restmagma, verminderden de innerlijke wrijving; het dunne magma werd in spleten gedrongen, die zich door opsmelting verwijdden. Na langzame afkoeling ontstonden grove kristallen en dikwijls eutektische mengsels, waaruit zich schriftgraniet vormde. Vandaar vermoedelijk pegmatiet, van pegma = balkwerk of gebinte. Men voelt enige tegenstrijdigheid tussen de afkoeling in nauwe spleten en het ontstaan van grote, soms reusachtige kristallen. Het zal waarschijnlijk ook wel zo zijn, dat slechts in wijde spleten langzame afkoeling en vorming van grote kristallen plaatsvond; er zijn pegmatietgangen van meer dan 2 km breed en 100 km lang. In Amerika heeft men een kamer uitgehakt in een enkel veldspaatkristal, waarin men bij bezoek zijn handtekening zet in een register! Soms komen in pegmatieten holten voor, waarin de restgassen en -dampen zijn afgekoeld en mineralen zijn afgezet van allerlei soort: toermalijn, aquamarijn, granaat, enz. Men noemt deze holten wel eens schertsend de kraamkamers van mineralen. Zulke miarolietische holten leverden menige edelsteen. De onderlinge gelijkenis van pegmatieten uit Zweden is groot, zodat het niet mogelijk is de herkomst onzer algemeen voorkomende stukken op te geven, behoudens een enkele uitzondering.

 

 

70. Kwartsen uit schriftgraniet, naar vier zwerfstenen.

Utö-pegmatiet, gangen van 30 - 50 m dikte in magnetiet vormend op het kleine eiland Utö, zuid- oostelijk van Stockholm, heeft als typerende mineralen: toermalijn, in rose kleur als rubelliet en in blauwe kleur als indigoliet; daarnevens geelgroene of geelgrijze glimmer, lithioniet en spodumen. De veldspaat is Wit, rose of gelig, in afmeting tot 20 cm; de kwartsaggregaten zijn slechts 5—15 mm. De textuur is min of meer grofgelaagd door de evenwijdig gelegen componenten. De mogelijkheid op een vondst is niet uitgesloten.

Asfalthoudende pegmatiet van Getlycke aan het Gothakanaal is hier eenmaal gevonden, daar het ter plaatse in grote hoeveelheid in de intrusiegangen voorkomt; waarschijnlijk is de asfalt uit kalksteen door de rode pegmatiet opgenomen. In Duitsland vond men enkele exemplaren. Van der Lijn trof een zodanige aan bij Soestduinen.

Bornholm-pegmatiet wordt hier nog al eens aangetroffen: rose tot rode, vrij grove pegmatiet met wat schriftgranietische vergroeiingen, en rode kwarts.

Bohuslan-pegmatiet met toermalijn tot in vrij grote afmeting werd hier ook gevonden, deze is afkomstig o.a. uit de brede gangen ten westen van Uddevalla.

Schriftgraniet

Schriftgraniet (lapis hebraicus) is geen aparte gesteentesoort, maar een bestand- deel van pegmatiet, die plaatselijk figuren van kwarts vertoont in de mooie microklien-veldspaten. Men noemt schriftgraniet wel pegmatiet met implicatiestructuur, naar implicatio = verwikkeling. De figuren doen soms sterk denken aan antieke schrifturen, zoals die van de Egyptische papyrusrollen, maar ook aan ander oosters schrift; vermoedelijk hebben sommige volkeren deze tekens in stenen wel beschouwd als boodschappen van goden aan de mensen. De lettertekens worden gevormd door waterheldere. of wat grijs getinte kwarts, welke ligt in een fond van gewoonlijk bleekrose veldspaat. Veelal hoekig, maar ook vaak met afgesneden punten, zijn de lettervormen LJVWITN het meest vertegenwoordigd, al komen daarnaast ook ronde vormen als GODC wel voor (zie ook foto 20). De eigenaardige figuren, die heel niet lijken op kwartskristallen, maar op halve omlijstingen van veldspaattabletten, zijn ontstaan bij uitkristallisatie van een eutektisch mengsel, waarbij door de gelijktijdige vorming van de veldspaat en de kwarts geen scheiding in eigen kristallen plaatsvond.
Het eutektische mengsel (eu = goed; tekton = bouwsel) komt ook bij andere mineralen dan veldspaat voor; perthiet is de implictiestructuur van orthoklaas en plagioklaas (zie bij de veldspaten); ook pyroxeen en hoornblende kunnen eutektisch kristalliseren. In apliet-graniet van Åland treedt wel een rijkdom op aan grafische vergroeiingen in de vorm van divergentstralige figuurtjes, waaiertjes, knopjes en streepjes, die men micropegmatiet noemt, al zien scherpe ogen deze tekening nog wel. Vooral aan de buitenkant der zwerfstenen; ook zijn ze duidelijk in Siljangraniet (zie Fig. 71). In nog kleinere afmeting, maar dan gewoonlijk als wormvormige figuurtjes, myrmekiet (myrmex = mier) komt het eutekticum in meerdere gesteenten voor; de tekening ontstond door kwarts en plagioklaas, vooral in gneis, graniet, kwarts-dioriet. Hierbij is de plagioklaas door gekromde staafjes of vertakte kwartsstengeltjes doorgroeid. Het figuurbeeld doet dan denken aan rondkruipende wormpjes, ‘quartz vermiculé’, Fig. 71. De structuren zijn niet uitsluitend aan pegmatiet gebonden, al komen ze wel het meest voor in gangen en randzones van granieten.
De schriftgranieten zijn ten onzent niet zeldzaam, ze bieden nog al afwisseling ook: lijntjestype, haakjestype, sikkeltype, banketlettertype, fijn en grof, alle uit Fennoscandië, een doodenkel zeer klein stukje ook in Zuid-Limburg, uit de Vogezen.

 

 

 

 

 

Fig. 71. Micropegmatiet links, myrmekiet rechts: vergroeiingen van kwarts (donker) met veldspaat (wit), bij 20 X vergroting.

Syeniet-pegmatiet is in ons land een hoogst zeldzame verschijning; bewerker kent één vondst, een groot blok van Soesterberg met baksteenrode orthoklazen waartussen wat biotiet en plagioklaas.

Dioriet-pegmatiet en gabbro-pegmatiet komen in de kristallijne massieven van Fennoscandië wel voor, vooral de eerstgenoemde; bewerker zag tot nog toe hiervan geen Nederlandse vondsten.

Granietporfier

Dit is een ganggesteente met wat gecompliceerde structuur; evenals alle leden dezer familie holokristallijn; is samengesteld uit een mengsel van kwarts en veldspaat in twee generaties, te weten:
1) een oudere die bestaat uit losse meest vrij grote idiomorfe individuen, welke verspreid liggen
2) de jongere vorming, een grondmassa van meestal kleine kristalletjes.
Bij beide generaties vallen de donkere bestanddelen meestal weinig op. De grondmassa is een normale tot fijnkorrelige graniet, de grotere fenokristen herinneren aan porfier, vandaar de naam granietporfier. De verwisseling met graniet is mogelijk wanneer de granietporfier grofkorrelig is, die met porfier zal nog meer plaats hebben juist bij de zeer fijnkorrelige soorten, welke een slechts met een goede loupe in kristalletjes op te lossen grondmassa bezitten, terwijl, zoals we weten, de porfiergrondmassa met de sterkste loupe veelal niet valt te ontleden, megascopisch in elk geval dicht behoort te zijn, maar toch nog wel eens korrelig blijkt.
Tijdens de verstarring bij langzame afkoeling vormden zich de grote kristallen, daarna moet beweging zijn ingetreden en snellere afkoeling, waardoor het restmagma in kleine kristallen zich sloot om de grotere. De kleur der granietporfieren is roodachtig of grijzig, naar de hoofdmassa der orthoklaas, welke echter meer idiomorfe individuen vertoont dan graniet, terwijl de kleine kwartsen soms ook vrij goed zijn gevormd. In verschillende streken van Zweden treed granietporfier aan de oppervlakte, vaak in of aan de grens van de gewone graniet, zeer dikwijls als rand aan de grote granietmassieven. In Smaland o.a. zijn gangen en randen van 5 tot 30 m dik. Een viertal soorten daarvan komt hier nog al eens voor.

Paskallavik-granietporfier is wel de meest bekende; zij heeft een bijna dichte grijsbruine of grijszwarte, soms wat roodachtige grondmassa, waarin opvallen de 1-3 cm grote ronde glanzende witte of rose orthoklazen en soms erwtengrote blauwige kwartsen als eerstelingen. Biotiet is gechloritiseerd en zit in de groenig zwarte vlekken. Een niet zeldzame zwerfsteen, uit Smaland.

Emarp-granietporfier, hier de meest voorkomende, bezit een fijnkorrelige grondmassa van roodachtig bruine, grijs- of geelachtig rose kleur met geelwitte of lichtrode orthoklazen tot 3 cm, wat groeniggele onduidelijke plagioklazen van veel kleiner formaat evenals de kleurloze tot blauwige kwartsen, welke hier wel aanzienlijk groter optreden. Soms levert de steen een verkleind beeld van de normale. Vrij algemeen voorkomend uit Smaland. Een exemplaar van Maarn door Van der Lijn gevonden, beantwoord goed aan het type.

Högsrum-granietporfier is een heel ander gesteente, daar de fenokristen talrijk en veel kleiner zijn dan bij de vorige. De kleur der fijnkorrelige harde grondmassa is ook afwijkend; ze is veelal licht violetbruin, ook wel grijs, maar vormt met de roodwitte veldspaten wel een tegenstelling. De maat daarvan varieert van 5—15 mm, de grijze kwartsjes zijn veel kleiner; ook chlorietvlekken komen voor. De zeldzaamste van de Smaland-granietporfieren, uit de streek ten Westen van Paskallavik.

Sjögelö-granietporfier is meestal moeilijk van de eerste te onderscheiden. Sommige stukken zijn duidelijk roodbruin van grondmassa, bij andere zitten de sterk afgeronde veldspaten vrij los in deze en zijn ze deels omwoeld door gechloritiseerde groenige biotietslierten. De kwartsen zijn grijs tot lichtblauw. Vrij zeldzame zwerfsteen.

Garberg-granietporfier beslaat in Elfdalen een gebied o.a. van 4000 km², maar schijnt hier toch een vrij zeldzame verschijning in een nog al wisselend kleed van vrij grof porfierisch tot fijnkorrelig. De grondmassa is fijn-granietisch en zit overvol met voorkristalletjes van veldspaat, waartussen men niet of nauwelijks een kwartskristalletje kan ontdekken, en ook vaak weinig femische bestanddelen. Soms is het gesteente violetbruin tot grijsrood, soms steenrood tot bruin; de oligoklaasrijke variëteit heeft door de vele groenige plagioklazen een tint van roodbruin met groen. De grens van Garberg-granietporfier naar zgn. micrograniet van Dalarne is moeilijk te trekken; alle mogelijke overgangen komen voor (zie foto 32).

Åland-granietporfier is een zeer opvallend type met vele grote ronde kwartsen en nog grotere veldspaten in de bruinrode fijnkorrelige grondmassa. De veldspaten hebben zelden mantels, maar zitten vaak volgepropt met mineraaltjes. Met kleinere eerstelingen gaat ze onmerkbaar over in Åland-kwartsporfier. Als zwerfsteen in de noordelijke provincies vrij algemeen.

Finse granietporfier heeft een óf bruinrode óf grijsrode korrelige grondmassa, zelden een geelachtige. De veldspaateerstelingen zijn zeer groot, maar weinig in getal, vierhoekig of rondachtig, met onduidelijke of heen mantels; de vele donkergrijze of roodachtige kwartsen zijn veel kleiner, het onderlinge verschil in grootte tussen de fenokristallen is opmerkelijk. Als zwerfsteen zeer zeldzaam, als alle Finse gesteenten.

pict1.jpg

 

 

 

72. Finse granietporfier van Ees; grote veldspaten, kleinere kwartsen, de grondmassa een herhaling in ‘t klein.

Angermanland-granietporfier lijkt een rose zandsteen met slechts enkele grote onregelmatige gelige fenokristen, meerdere kleine rose veldspaatjes en wat kleine kwartsen. Zelden ziet men een geringde ovoiede. Zeldzaam.

Vogezen-granietporfier. In het middenterras van Elsloo en Caberg in Zuid-Limburg heeft Van Straaten enkele granietporfieren aangetroffen met grote fenokristen van plagioklaas waarvan de herkomst door hem wordt toegeschreven aan de Vogezen.

Syenietporfier is als zwerfsteen niet aangetroffen; wel een zeer zeldzame alkali-syenietporfier (tinguaiet, zie aldaar) uit het Oslogebied.

Kwarts-diorietporfier is als zwerfsteen een zeldzame verschijning, maar is ieder bekend als het gesteente uit Quenast in Belgisch Brabant, waar veruit de meeste kinderhoofdjes of kasseien der oude steenwegen uit een enorme groeve zijn weggebroken. Op foto 33 is een zwerfsteen afgebeeld.

Gabbroporfier is een weinig opgemerkt gesteente, alhoewel vele gabbro’s een wat porfierische structuur bezitten. Een vondst van Boekschoten bij Hilversum heeft een opvallend uiterlijk: in een fijnkorrelige veldspaatrijke grondmassa liggen grote zwarte augieten ingebed.

Een nomenclatuurverwarring op het gebied van de petrografie moet wel worden gesignaleerd. Vooral de oudere Duitse benamingen van gang- en uitvloeiïngsgesteenten wijken af van de thans elders gangbare. Zo wordt onder syenietporfier ook wel een echte porfier verstaan (met zeer fijnkorrelige grond- massa), die naar samenstelling syeniet nabij komt. Verder heeft men daar de gewoonte om porfierische gesteenten met fenokristen van alkaliveldspaat porfier te noemen, terwijl dergelijke gesteenten met plagioklaas-fenokristen porfiriet heten. Het zal wel lang duren voordat alle inconsequenties en alle plaatselijk ingesleten petrografische benamingen zijn uitgebannen; consequentie is ook in dit boek niet bereikt.

UITVLOEIÏNGSGESTEENTEN

Rhyoliet of kwartsporfier

In het algemeen moeten we uitvloeiïngsgesteenten van granitische samenstelling die eerstelingen tonen in een (veelal aan vulkanisch glas rijke) zeer fijnkorrelige grondmassa de benaming rhyoliet (of lipariet) toekennen. In rhyolieten van hoge ouderdom (zoals de praecambrische uit Zweden, de permische uit Duitsland) is die fijnkorrelige grondmassa meestal ontglaasd. Bovendien hebben daarin andere omzettingen plaatsgevonden, waarbij rode haematietpartikeltjes gevormd werden. Aan deze roodkleuring danken de oude rhyolieten hun benaming porfier (porphyros = purper), nauwkeuriger kwartsporfier. Veelal worden ze in grote dekken aangetroffen waarin soms nog een fluïdale structuur herkenbaar is, maar verdere aanduidingen van een ontstaan als lava- stroom ontbreken. In 1932 beschreef Marshall dergelijke gesteenten uit Nieuw Zeeland; ze waren gevormd door hete wolken van vulkanische as, zo hoog van temperatuur dat de asdeeltjes samensmolten bij de sedimentatie. In Nieuw Zeeland beslaan deze versmolten tuffen een oppervlak van 25000 km². Marshall noemde ze ignimbrieten (ignis = vuur, imber = regenbui). Meestal hebben ze een rhyolietische samenstelling; enkele zijn dacietisch, latietisch of zelfs basaltisch. In 1954 merkte Weyl op dat de permische porfieren uit Duitsland eveneens ignimbrieten zijn; in 1956 beschreef Hjelmqvist de Dalarne-porfieren, van praecambrische ouderdom onder dezelfde naam.

 

 

 

 

 

73. Blybergporfier uit Dalarna, 30 x vergroot; de fluïdale structuur van deze ignimbriet  komt goed uit. Naar Hjelmqvist  (1956).

Rhyoliet in typische vorm zouden we onder onze erratica niet hoeven te verwachten, omdat er geen jong granitisch vulkanisme in het gebied is opgetreden, waaruit vrijwel al onze zwerfstenen herkomstig zijn. Toch zijn er twee streken in Zweden waarvandaan we zwarte, glazige rhyolieten zouden kunnen vinden:
het Mien-meer, 30 km Noordelijk van Karlshamn in Blekinge en de Dellenmeren, 300 km NNW van Stockholm in Dalarne. Dat hier meerbekkens rhyoliet bevatten is geen toeval; het zijn beide meteoorkraters waar door inslag van een enorme meteoriet de granieten ondergrond is opgesmolten en direct weer gestold. Eerstelingen kristalliseren onder zulke omstandigheden niet uit; wel komen in het slierige gesteente halfverteerde mineraalbrokken voor, resterend van de kristallijne ondergrond waarop de meteoriet neerstortte. Wanneer deze inslagen (door Högbom in 1910 en 1912 als zodanig herkend, door Svensson en Stanfors nader beschreven) plaatsvonden valt nog niet aan te geven; in ieder geval wèl voor de inzet van de ijstijd, want de moreneafzettingen zuidelijk van deze meren bevatten de rhyolieten als zwerfsteen. Een gering kansje is er dan ook deze in ons noordelijk diluvium aan te treffen.

 

 

 

 

74. Porfierstructuur: kristallen in dichte grondmassa.

Kwartsporfieren in de ouderwetse zin zijn in ons land het meest voorkomende type van een gesteente met porfierische structuur (zie Fig. 74). Ze hebben een opvallend rode of bruine kleur, zelden groen of grijs, terwijl de porfierstructuur aan de min of meer verweerde buitenoppervlakte het duidelijkst spreekt door de tegenstelling van de lichte veldspaten met de wat donkerder dichte of fijnstkorrelige grondmassa. Deze laatste, megascopisch meestal niet te ontwarren, bestaat uit dezelfde mineralen als de eerstelingen: orthoklaas, kwarts, glimmerschubbetjes en/of amfiboolkorrels. Grondmassa en insluitingen vertegenwoordigen twee, soms drie generaties. Het eerst ontstaan in de diepte bij afkoeling van het magma de grote kristallen, echte voorkristallen of fenokristen, in een eerste stollingsperiode gevormd in de gesteentebrij, waaruit in volgende perioden òf weer nieuwe voorkristallen ontstaan òf, bij snelle afkoeling aan de oppervlakte der aarde, een klein-kristallijne of dichte grondmassa zich vormt. De grondmassa stolt dan in uiterst fijne kristalletjes of tot een soort glasmassa, vgl. obsidiaan.
Toch is bij felsiet, met onder de loupe nog niet te ontleden grondmassa, onder het microscoop nog wel de kristalletjes-massa te zien, zodat felsiet de overgang vormt van glas naar porfier. Ook stromingsslierten kunnen in de felsiet voorkomen, evenals bij obsidiaan. De felsiet-porfieren zonder goed zichtbare fenokristen, zoals sommige Botnische, hebben uiterlijk grote gelijkenis met de dichte rotsvuursteen of helleflint van Sala of Dalarne — een metamorf gesteente. Dat de voorkristallen niet altijd in vorm zijn moet geweten worden aan gedeeltelijke latere opsmelting; men spreekt dan van gecorrodeerde kristallen, die er vrij haveloos uit kunnen zien. In gewone kwartsporfier vallen het

meest op de vaak vrij goed gevormde veldspaten: orthoklaas, maar ook anorthoklaas en albiet. Door verwering worden de kristallen zowel als de grond- massa zeer troebel, vaak voor een deel omgezet in kaolien en sericiet. Daarnaast komt een infiltratie voor van fijn verdeelde ijzerhydroxyde, welke het gehele gesteente rood kleurt. De kwartsen doen zich meestal als glasachtige insluitingen voor van rondachtige vorm, maar ook wel eens als zuivere wat afgeronde dubbelpiramides. De donkere mineralen zien we bijna altijd als zwarte streepjes of korreltjes, maar deze blijven sterk in de minderheid. Bij sterke rekristallisatie van de grondmassa vormen secundaire omzettingen vaak sferolieten, in alsdan ontstane kwarts-keratofieren, veelal nog met porfirische structuur; men zie bij de omzettingsgesteenten daarvoor.
Onder onze zwerfstenen is het aantal porfieren niet zo groot als dat der granieten, ook de verscheidenheid staat daar beneden; toch mogen we het aantal gidsgesteenten onder de porfieren wel op zestig stellen. We kennen er vele die afkomstig zijn uit de Botnische Golf en de Oostzee, uit Dalarne en het Ragundagebied, uit Upland en Smaland, ook nog enkele uit de omgeving van de Oslofjord; veel minder is het aantal zuidelijke porfieren uit het Rijngebied en het Thüringer Woud. In verhouding zijn intussen veel minder porfieren terug te brengen op een bepaalde herkomst dan granieten.

 

 

 

75. Magmatische corrosie: kwarts boven, hoornblende onder bij 10 vergroting.

Oostzee-porfieren

Bruine Oostzee-porfier. Deze kwartsporfier, afkomstig uit het Oostzeebekken Zuidwestelijk van de Ålandeilanden tot onder de kust van Stockholm, is hier tamelijk algemeen. Ze heeft een typisch uiterlijk: chocoladebruin of roodbruin, zelden zuiver bruin van grondmassa, vallen daarin dadelijk op de vele gebleekte veldspaten, slechts 1—5 mm groot, benevens de weinige grijze rondachtige kleine kwartsen. Door resorptieverschijnselen zijn de veldspaten zeer ongelijk, vertonen ze inhammen, doorboringen, splinters en rondachtige resten; groenzwarte chlorietachtige vlekjes of vegen komen onregelmatig voor. Hoewel overeen- komende met sommige Botnische Golf-porfieren, missen ze de mooie rode fenokristen; de Oostzee-porfier heeft ze meestal bruinachtig, hoogstens ietwat rose op de verse breuk. Een der algemeenste porfieren. Op de Veluwe en Utrechtse heuvelrug wordt deze porfier veel meer aangetroffen dan de rode Oostzee-porfier.

Rode Oostzee-porfier. Deze is afkomstig van de Oostzeebodem ten Zuidoosten van de Ålandeilanden tot onder de kust van Dagö, en iets minder algemeen dan de bruine. Ze heeft een bruinig rode tot helder rode, dichte grondmassa met weinige, door de rode kleur niet opvallende hoekige veldspaatjes benevens wat grijze, veelal ronde kwartsjes; alle eerstelingen zijn nauwelijks 2 â 3 mm groot. De chlorietische en epidoot-vlekken zijn van meer importantie. De zwerfstenen zijn veelal platte steenscherven en werden vroeger bij de Rödöporfieren gerangschikt. De verweerde exemplaren zijn vaak verbleekt tot de kleur van een bloempot, die uit de keileem zijn soms prachtig rood, de N.O. Polder leverde daarvan mooie vertegenwoordigers. De rode Oostzee-porfier wordt aan de Hondsrug en bij Urk vaker gevonden dan de bruine. Waar de rapakivigesteenten het talrijkst zijn, overheerst de rode porfier. Zwerfsteentellingen hebben dit bewezen, het verschijnsel staat in verband met de herkomst en het transport.

Portieren van de Botnische Golf

Verwant aan de porfieren der Oostzee, zijn ze speciaal van de bruine Oostzee-porfier soms moeilijk te onderscheiden. Aan de bocht van Gävle werd de Botnische porfier nog in situ aangetroffen, overigens moet volgens Eskola en Asklund de zeebodem ten Westen en Noordwesten van de Ålandeilanden als oorsprong van de zwerfstenen worden beschouwd; veel noordelijker echter, aan de stranden van Rödö en Sundsvall, liggen tal van stukken, welke wijzen op nog verdere herkomst. Het uiterlijk loopt nog al uiteen, één groep heeft een felsietische grondmassa met weinig of geen voorkristallen; een andere bezit een ietwat korrelige opvulling rondom vrij wat fenokristen; de derde zit veelal vol met kristallen. Hoewel alle overgangen tussen deze drie groepen voorkomen, zijn ze toch met wat goede wil wel te rangschikken in albiet-felsiet-porfieren, felsiet-porfieren en kwartsietporfieren.

Botnische albiet-felsiet-porfier doet sterk denken aan een dichte helleflint met vrij matte, bruine of zwartige grondmassa, ietwat schelpachtige breuk en nagenoeg zonder voorkristallen, welke op de dunne lichter gekleurde verweringskorst duidelijk uitkomen als veldspaatjes van slechts 1—3 mm. In die veldspaatjes kan men onder de loupe veelal vetglanzende albiet ontdekken; verder ziet men wel eens kwartsjes en kwartslamellen, welke wijzen in de richting van de volgende porfieren; ook zijn epidoot- en chlorietvlekjes wel aanwezig. Zeldzaam. Een zwerfsteen van Rolde vertoont een fraai ruitenstelsel door stress of rek ontstaan (zie foto 34).

Botnische felsiet-porfier heeft vrijwel dezelfde dichte grondmassa, maar de breuk is niet meer zo glad of schelpachtig, meer warrig en splinterig; de voorkristallen zijn in groter aantal aanwezig, zowel albiet en orthoklaas als kwarts. De veldspaten zijn veelal rondachtig of onregelmatig gecorrodeerd, de kwartsen zijn nog heel klem en weinig talrijk, de chlorietvlekken zijn vrij groot, en bevatten wel calciet op de verse breuk; de gelijkenis met dichte helleflint verdwijnt meer en meer. Hesemann onderscheidt drie typen:

Kvarnbo. Chocoladebruin, vol met kleine lichtrode rectangulaire (rechthoekige) veldspaten en uiterst kleine dihexaëders van kwarts; doet denken aan Klittberg-porfier, maar mist daarvan de fluïdale stroming. Twee vondsten in Drenthe.

Kykbyrn. Bruin tot bruingrijs met kleine roodbruine onduidelijke veldspaatjes, ook slechts microscopische kwartsjes.

Näsby. Grijsbruin met donkere vlekken, veldspaten tot een centimeter groot, lichtrood, goed gevormd.

Botnische kwartsporfier. De korrelige grondmassa is mat, bruin tot zwartig, de breuk oneffen, het aantal voorkristallen is groot, vooral dat der orthoklazen, minder dat van kwarts; de weinige kleine albieten vallen niet op. Op een verweringsvlak spreken de vele, een halve centimeter grote orthoklazen het meest, echter niet door een fraaie vorm, daar ze veelal in het magma reeds weer deels zijn opgelost, gecorrodeerd, soms met buisvormige inhammen, evenals de kwartsen. Ook komen stromingspartijen voor, chloriet is wel, biotiet of hoornblende niet aanwezig. Daar de Botnische Golf-porfieren niet bepaald zeldzaam zijn en de kwartsporfier gemakkelijk kan worden verwisseld met bruine Oostzee-porfier, zal men goed doen deze beide onder de loupe te nemen. De Oostzee-porfier komt meestal in platte stukken voor of in zuilvorm, de Botnische kwartsporfier meer in rolsteenvorm of als kantige kei. De veldspaten zijn bij de eerste niet zo rood en ook talrijker dan bij de laatste. De zeer kleine kwartsjes en veldspaatjes vertonen onder loupe en microscoop bij de Botnische porfieren een geringe idiomorfe begrenzing en onregelmatige afronding, vooral de kwartsen zijn gecorrodeerd en vaak met skeletachtige lamellen om- rand. Onder het microscoop vertoont de grondmassa der Botnische porfieren veelal een roosterwerk van kwarts met veldspaat als opvulling, evenals bij de bruine Oostzee- en Hogland-porfier.

Binnen de Botnische kwartsporfier onderscheidt Hesemann een negental typen:

Andeskeri. Leverbruin met talrijke tot 8 mm grote rode veldspaten, kwarts met de loupe te zien.

Ava. Donkergrijs tot leverbruin met talrijke rode veldspaten soms 10 mm groot, plaatselijk talrijke rondachtige grijze kwartsen; herinnert aan bruine Oostzee-porfier, maar is door de rode veldspaten levendiger van kleur.

Ipäja. Chocoladebruin met kleine glinsterende roodachtige veldspaatjes en zeer kleine kwartsjes.

Ekenäs, aan de Finse kust. Donkergrijze porfier met kleine soms dicht opeenliggende witte veldspaatjes en gecorrodeerde kwartsen. Soms wat glimmer en fijn tot middenkorrelig.

Eckerö (westelijk Ålandeilanden). Grijszwart met vrij veel tot een centimeter grote bloedrode veldspaten en vele kleine kwartsen, vaak met vierkante doorsnede. Lijkt op Rännasporfier, maar die heeft kleinere en regelmatiger veldspaten en vaak fluïdale stroming.

Finström. Fris grijszwart verweert lichtbruin met kleine lichtrode veldspaatjes en kleine kwartsjes.

Ingby 1. Grijszwart, met kleine geelgroene veldspaatjes; chlorietvlekken en glasglanzende kwartsen.

Ingby 2. Bruingrijs, met kleine dicht opeengedrongen rondachtige veldspaatjes, niet duidelijk, veel microscopische kwartsen.

Ingby 3. Zwartbruin, kleine lichtrode verweerde veldspaatjes, zeer veel kwartsjes.

Åland-kwartsporfier is een gemakkelijk te herkennen gesteente, dank zij de vele ronde kwartsen, vaak radiaal gespleten, en de duidelijke even grote veldspaten in de roodbruine dichte grondmassa, welke soms echt rood kan zijn, vooral bij stenen uit de keileem. Verweerde Åland-kwartsporfier is vaak wit aan de oppervlakte en vertoont dan vooral de vele donkere kwartsen. Bij vermindering dezer component en vergroting der veldspaten gaat dit gesteente over in Åland-graniet-porfier, temeer daar de grondmassa bij al deze porfieren granietisch is. De kwartsen zijn soms blauw. Algemeen, vooral aan de Hondsrug.

Rödö-kwartsporfier. De porfier, niet van Rödö alleen, maar ook van de Oost- zeebodem tot op de Åland-eilanden, zelfs landwaarts, in Finland en op Hogland, anderzijds tot Ragunda - toch zeldzaam als zwerfsteen. In frisse toestand is het een fraai gesteente met de 1 â 2 cm grote rode veldspaten in de bruingrijze korrelige grondmassa, waarin de kleine kwartsen als glasglinsterende puntjes overal schitteren, waarnaast soms kleine bloedrode veldspaatjes zich vertonen; zie foto 5.
De fenokristen zijn vaak aaneengegroeide microklienen, veelal Karlsbader-tweelingen, ook mooie tabletten met lijstvormige doorsneden; de kwartsjes zijn deels goede bipiramides met vierkante doorsnede, deels rondachtig. Het verweerde gesteente is aan de oppervlakte soms als porfier onherkenbaar, op de breuk een grijze grondmassa vertonend met bloedrode of geelrose veldspaten, een merkwaardige kleurcombinatie. Ook dit gesteente heeft overgangen naar granietporfier.

Hogland-kwartsporfier. Een zeer zeldzame zwerfsteen, vanwege de herkomst van het eiland Hogland, oostelijk van Helsinki in de Finse Golf. De kleur van het gesteente variëert van violetgrijs tot groengrijs of bruingrijs; de meestal talrijke veldspaten zijn roodachtige of witte orhthoklazen Van 2 - 12 mm, een enkele is wat groter, lang niet alle zijn scherp-kristallijn en regelmatig; de meestal niet talrijke kwartsen zijn klein, rookgrijs en rondachtig; groenige plagioklazen zijn er weinig of niet, basische bestanddelen, hoornblende of biotiet, vallen niet op.

Mälar-porfier. Als type komt hier voor een roodbruine porfier vol goedgevormde groenige tot gelige plagioklazen. Opmerkelijk zijn de smalle lijstjes van plagioklaastabletten in zo grote rijkdom, dat men zich moeilijk kan vergissen bij de determinatie; ze zijn slechts ± 5 mm lang en gaan vergezeld van enkele vierkante orthoklazen; weinig pyroxeen en chlorietkorrels zijn op te merken, toch zijn deze een typerend bestanddeel. De kleur der grondmassa kan wel eens verschillen. Asklund onderscheidt ook een rode en bruine variëteit, benevens een granietporfier met grotere veldspaten. ‘t Zijn zeer zeldzame verschijningen in ons land, die men kan verwarren met de rode Grönklitt-porfier en de Garberg-graniet-porfier. Van der Lijn vond het smalle-lijstjes-type bij Amersfoort (zie het Geologische Instituut te Amsterdam).

Dalarne-porfieren

De Dalarne-porfieren zijn in de Noordelijke zwerfsteenassociaties goed vertegenwoordigd en voor het merendeel vlot herkenbaar. Men bedenke echter dat lang niet alle porfieren naar de herkomst zijn thuis te brengen, misschien maar 1 op de 15; er is een grote variatie in; weinige zijn gidsgesteenten.

Kleur

Grondmassa

Herkomst in

Dalarne

Lichtrood

Bredvad

Asen

Donkerrood

Orsa

Bruinrood

Hede

Skrna

Bruin tot violet

Bruine Sarna
Kalberget
Katila

Zwartig

 

Arrlok
Blyberg
Klittberg
Rannas

Bredvad-porfier is een vrij gemakkelijk te herkennen Dalarne-porfier, daar ze een lichtbruine dichte grondmassa bezit en de eerstelingen nauwelijks opvallen, nl. de weinige 1 - 7 mm grote veldspaten van iets donkerder tint dan de bijna dichte tot dichte grondmassa, terwijl kwarts zelden aanwezig is en biotiet- en chlorietvlekjes zeer schaars zijn. De meest algemene Dalarne-porfier, ook in Zuid-Jemtland voorkomend.

Asen-porfier gelukt veel op de vorige, is ook licht bruinrood of ietwat grijzig rood, mat en dicht op de breuk, maar vertoont wat gelig-groene tot witte kleine eerstelingen, terwijl de rode orthoklazen minder opvallen. Een Elfdalenporfier, vrij algemeen.
Rode Oostzee-porfier, Bredvad- en Asen-porfier worden licht met elkaar verward. Bij de eerste vallen de kwartsen het meest op, bij de Bredvad de rode orthoklazen en bij de Asen de betrekkelijk talrijke geelachtige plagioklazen. Alle drie zijn vrij arm aan fenokristen.

Hede-porfier is mede verwant aan de vorige, heeft wat dieper bruinrode kleur, grotere en meerdere veldspaten, en meer groenige vlekjes, die geelgroene plagioklazen blijken of chlorietvlekken. Soms komt ook kwarts voor. Een vrij algemene porfier uit de buurt van Lima en Venjan in het zuiden van Dalarne.

Rode Särna-porfier is moeilijk te determineren. Bruinrood als de vorige met veel kleine veldspaatjes; kleiner dan bij Hede-porfier, daar tegenover weer kwarts. De groenige plagioklazen van 1-7 mm vallen meer op dan de in aantal ook geringere 1-5 mm grote orthoklazen. Weinig chlorietvlekjes. Sommige stukken zijn grijzig roodbruin. Bij Särna in Dalarne, algemeen.

Orsa-porfier. Een donkerrode, fijnkorrelige grondmassa met zeer weinig eerstelingen, en het uiterlijk van een rode Åland-apliet. De grondmassa blijkt onder de loupe uit rode veldspaat met kleine donkere kwartskorrels te bestaan in granofierische vergroeiing aan de korrelgrenzen. De fenokristen zijn gelige of roodachtige veldspaatjes van 3-6 mm, benevens een enkel hoornblendekristalletje. Vgl. ook rode Oostzee-porfier. Herkomst van Orsa, N.O. Dalarne. Moet wel zeldzaam zijn door het kleine locale voorkomen.

33. Kwartsietdiorietporfier (Zwerfsteen van Amersfoort). Een grijs gesteente met talloze Witte oligoklaasveldspaatjes, verder wat kwarts, glimmer en zwarte hoornblende. Zeldzaam erraticum, door Maas of Rijn aangebracht. Vondst Van der Lijn; collectie Geologisch Instituut Amsterdam.

34. Botnische felsietporfier (Zwerfsteen van Rolde). Op de breuk kleine albietkristalletjes in een donkere felsietgrondmassa; aan het lichte verweringsoppervlak fluïdale gelaagdheid, doorsneden door clivage. Vondst Van der Lijn, collectie Museum Schokland.

 

35. Naheporfier (Zwerfsteen van Oud-Leusden). In de rose grondmassa zien we kleine rode veldspaatjes, wat grijze kwartsjes en zeshoekige biotietkristalletjes. Uit het Perm van de Nahe, een zijrivier van de Rijn.

36. Latiet (Zwerfsteen van Amersfoort). Van oudsher staat dit gesteente van de Drachenfels aan de Rijn als trachiet bekend. In de zwerfsteen fenokristen van sanidienorthoklaas; ernaast twee losse kristallen daarvan.

 

37. Andesiet (Zwerfsteen van Amersfoort.). In de fijnkorrelige grijze veldspaatrijke grondmassa witte eerstelingen van labrador, en zwarte van hoornblende en biotiet. Erraticum uit het Zevengebergte.

 

 

38. Verweerde basalt (Uit keileem van de Afsluitdijk). Vlekkerig blauwgrijs verwerende basalt, van binnen gitzwart, vinden we vooral tussen zwerfstenen uit Fennoscandië.

 

 

39. Basalt met augiet (Zwerfsteen van Maarn). Deze door de Rijn aangevoerde Steen toont in de verweringskorst mooie doorsneden van donkere augiet. Vondst Van der Lijn, collectie Geologisch Instituut Amsterdam.

 

 

40. Basaltlava (Zwerfsteen van Amersfoort). Een alkalibasalt met talrijke gasblazen; wit op de foto nefelien en leuciet. Een zwerfsteen uit het Rijngebied. Vondst Van der Lijn, collectie Geologisch Instituut Amsterdam.

 

Bruine Särna-porfier is een grijzige bruinviolette harde porfier met vele kleine orthoklazen, plagioklazen en kwartsen. OP de breuk zijn veldspaten nog glanzend, aan de oppervlakte zijn ze rossig Wit verweerd. Zeldzame zwerfsteen.

Kallberget-porfier komt in verscheidenheden voor, nu eens met verspreide tot 1 cm grote bruinige tot rose veldspaten in een violetbruine matte grondmassa, dan weer met zeer veel tot 3 mm grote veldspaatjes in een grijsviolet medium; ook nog wel met grote en kleine gemengd in een bruine tot violetbruine grondmassa, waarin de grote orthoklazen mooi flonkeren; vrijwel gelijk van kleur als deze, vallen ze toch goed op; slechts enkele troebele gelige plagioklazen vertonen zich. Een buitengewoon vers exemplaar van Urk heeft vrij wat kwarts, maar deze ontbreekt ook wel. Tamelijk zeldzame zwerfsteen uit de buurt van Lima.

Katilla-porfier. Een grijsbruine of bruinrode porfier met zeer weinig kwarts en veel vrij grote groenig gele of witgele plagioklazen van 5-15 mm; de rode orthoklazen glanzen nog een weinig, zijn in de minderheid en vallen weinig op. Vlekjes van hoornblende en chioriet zijn ook niet sprekend. Een zeldzame zwerfsteen uit Dalarne.

De hoornsteen-porfieren van Dalarne zijn o.a. de vanouds bekende sierstenen van Elfdalen in het noorden van dit gebied. Zoals wij ze vinden, zijn ze in de regel niet fraai, deze zwartig dichte, harde, splinterig brekende porfieren, al vertonen ze nog wel mooie stroming snoertjes van fijne kristalletjes, slierten en fijne golvende lijnen. De kleur is veelal grijsviolet, zwartviolet of donker roodbruin, waarom men ze wel zwarte porfieren heet. Mooi getekende exemplaren werden tot reissouvenirs geslepen en staan bekend als Elfdalen-porfier. Een viertal verscheidenheden valt moeilijk uit elkander te houden.

Arrlok-porfier heeft van deze wel de meeste voorkristalletjes, zo ongeveer 200 op de 10 cm² ze hebben een lichtrode kleur en zijn 1-7 mm groot en worden afgewisseld met enkele groenige plagioklazen. De grondmassa is violet-zwart, zelden bruinzwart, chlorietvlekken zijn weinig zichtbaar. Een zeldzame zwerfsteen.

Blyberg-porfier bevat eveneens zeer vele kleine fenokristen, zowel groenige plagioklazen als ietwat roodachtig witte of geelwitte orthoklazen, veelal kleiner dan bij de vorige, nl. 1-3 mm met enkele grotere ertussen. De grondmassa is weer violet-zwart, ook wel roodbruin. Chlorietvlekken en licht- rode stromingsbandjes ontbreken gewoonlijk niet. Ook een zeldzaam gesteente, dat wel op bruine Särna-porfier gelijkt.

 

 

 

76. Klittberg-porfier met fluïdale structuur, van Havelte.

Klittberg-porfier, met minder eerstelingen dan Arrlok- en Blyberg-porfier, zo ongeveer 40-60 per 10 cm³, van rood- witte kleur en 2-7 mm groot, en alweer met wat groenige plagioklazen er tussen in. Typerend voor deze porfier is de ligging van veldspaten in snoertjes, tengevolge van de magmastroming, die ook donkere vlammen en bochtige lijnen schiep, en het gesteente van de Botnische Golffelsiet-porfier onderscheidt, waarop het overigens veel gelijkt. Een fraai fris, zeer hard, zwart of violet-zwart en zeldzaam gesteente.

Rännas-porfier vertoont een roetzwarte òf wel donkerbruine grondmassa met weinig kleine voorkristallen, als de vorige, maar van rode en witte of geelgroene kleur. Rode lijnen en golvende slierten verlevendigen dit gesteente zozeer, dat het zich uitmuntend eigent voor siersteenbewerking. Alweer zeldzaam.

Andere Zweedse porfieren

Lönneberga-porfier. Deze lijkt, oppervlakkig gezien, op een zeer fijnkorrelige grijze graniet, daar de dichte grondmassa door de vele kleine kristalletjes van plagioklaas en biotiet nauwelijks te zien is; het best nog op de verweringsvlakte. Op een breukvlak ontwaart men een groot aantal 1-3 mm grote grijs-witte plagioklazen, slechts weinig groene, en een groot aantal biotiet-schubbetjes en aggregaatjes; slechts enkele orthoklazen zijn zichtbaar, terwijl kwarts ontbreekt of in kleine, ronde, grijze korreltjes voorkomt. ‘t Is een zeldzaam gesteente uit Smaland.

Cumuliet-porfier. Een op de breuk zachtglanzende of matte, zwarte, dichte massa met meer of minder duidelijke veldspaten; aan de verweerde oppervlakte verspreide, zwart omringde micropegmatietische kristallen en ronde zwarte kristalhoopjes, deels ringvormig, naar welke de porfier zijn naam verkreeg (cumulus = hoop). Deze hoopjes ontstaan, evenals kristallieten en globulieten, bij snelle afkoeling van het magma, welke een ruïneachtige vorming veroorzaakt, waarbij de randen doorgroeid raken met hoornblende en glimmer, begeleid door opake ijzeroxyde, en waardoor de zwarte magmatische omranding ontstaat. Herkomst waarschijnlijk uit het Ragundagebied van Zweden. Zeldzaam.

Duitse porfieren

Het aantal zuidelijke en oostelijke porfieren is geringer dan dat uit het Noorden, zowel in verscheidenheid als menigvuldigheid. Van Straaten vermeldt in zijn proefschrift porfieren uit Zuid-Limburg, maar verklaart de herkomst onbekend. De porfieren van de Nahe zijn voor stenenzoekers in het midden van ons land wel bekend. Van meer oostelijke streken geraakten in ons land de Thüringerwoud-porfieren in vrij grote getale.

pict1.jpg 

Nahe-porfier. Dit is een geelachtig rose, vleesrode of lichtviolette kwartsporfier met weinig tegen de dichte of fijnkorrelige grondmassa afstekende eerstelingen. Op de soms mooi zalmkleurige breuk zien we wat rode veldspaat, wat ronde kleine kwartsjes, benevens een enkel glinsterend, vaak gebleekt zeshoekig biotietplaatje, of hoornblendenaaldjes, terwijl aan de verbleekte oppervlakte enige ingevreten putjes te zien zijn. Het is een weinig opvallende porfier, die in flinke stukken voor kan komen, vooral bij Mook, waar blokken van wel een meter gevonden zijn. Zie foto 35. Aan de Rote Berg, hoog boven Munster am Stein oprijzend, merkten we plaatselijk biotiet-rijke en amfibool-rijke partijen op; ook plekken met veel witte veldspaten. De wat grijze of lichtrose porfier ziet door verwering aan de oppervlakte rood op de Nahe neer.

Thüringerwoud-porfier is een typisch oostelijke zwerfsteen. In het zand van Oost-Groningen en Drenthe, Twente en Salland en het noordelijk’ deel van de Veluwe komt, vanuit de diepte in de grindbaggerwerken tot enkele meters onder de oppervlakte, een zwerfsteengezelschap voor, dat gekenmerkt wordt door het samengaan van veelal witgebleekte porfiertjes van 2-6 cm, met zwarte kiezellei, oölieten, radiolarieten, bontzandsteen, verkiezelde sponsen en andere silicificaties. Een deel hiervan zijn wel Wezergesteenten (in de IJstijd, toen de ijsbarrière naderde, door de Wezer naar het westen versleept), maar de porfieren zijn die van het Thüringerwoud. Deze zijn merendeels slechts 2-6 cm groot, mat stroef in de vingers, bleek of wit, fletsrose, minder groenig of bruin; in ‘t algemeen zonder donkere bestanddelen, met kleine, zelden tot 1 cm grote veldspaten of tot 5 mm grote kwartsen. De grondmassa is vrij zacht, soms vrij hard tot hard en zeer dicht. Een groep zwerfstenen die nog nader onderzocht moet worden!

Porfieren van syenitische samenstelling

Als ganggesteente, deels uitvloeiingsgesteente, van een syenitisch magma, bestaat dit bijna geheel uit veldspaat en weinig basisch materiaal en mist het de kwarts totaal of bijna geheel. Het porfierische type spreekt veelal duidelijk door de voorkristallen, vaak van goede vorm, te midden van een grondmassa, die voor het blote oog echter de korreling verbergt en pas bij een 10 à 20-malige vergroting wordt opgelost in kristallijne veldspaatjes met enkele korrels van donkere mineralen ertussen, al of niet met wat kwarts. Waar porfier is geheten naar porphyros = purper, stellen we ook hier onze verwachting op rode gesteenten, wat maar ten dele opgaat. Syenitische porfieren zijn als zwerfsteen meestal onfris van kleur en sterk verweerd: grijsgroen, grijsgeel, matbruin tot roodbruin of vuilzwart. Rosenbusch onderscheidde ze van de kwartsvrije porfieren, die hij orthofier doopte, naar het karakteristieke bestanddeel orthoklaas. Hier maken we gemakshalve dit onderscheid niet. Zweden heeft onze glaciale afzettingen meerdere syenitische porfieren toegevoegd; ook van de Oostzeebodem zijn er tot ons gekomen. Over ‘t geheel zijn deze zwerfstenen zeldzaam.

Syenitische Oostzee-porfier komt in twee verscheidenheden voor, een blauw- tot grijsgroen type en een grijsbruine vorm. Beide zijn mat, ook de kleine veldspaten van geelrose tot rode kleur glanzen weinig meer; in de grondmassa bevinden zich zeer kleine amandeltjes van chalcedoon en ijzeroxyde, soms ook kwartskorrels. De veldspaatjes zijn over ‘t geheel 2 à 4 mm; bij het bruine type komen er enkele van 6 à 7 mm voor. De porfier is zeldzaam en afkomstig van de Oostzeebodem tussen Gotland en de Åland-eilanden.

Nymala-porfier is volgens Hesemann een grijs-rood-achtig gesteente, volgens de afbeelding in Kom een zwartig bruine grondmassa met groenige en roodachtig bruine veldspaten en onscherpe vlekken. De veldspaten zijn 1 à 2 cm groot en dicht bijeen gegroepeerd. In zijn geheel ziet de steen er mat uit, maar de veldspaten glanzen op de breuk. De herkomst moet worden gezocht tussen Sjögelö en Lönneberga in Smaland, hier zeer zeldzaam; Lönneberga-porfier, met zeer veel veldspaatjes van 1-3 mm, even zeldzaam.


Kristalzuilen-porfier herinnert aan de Paskallavik-granietporfier door de 5-20 mm grote gelig rose fenokristen in een grijze, rood- of bruingrijze grondmassa. Deze grote veldspaten zijn deels duidelijk Karslbader tweelingen, kwarts komt er niet of weinig voor. Een exemplaar met kleine veldspaten van Emmen, gevonden door Loman, beantwoordt vrij goed aan de beschrijving. Zeldzame zwerfsteen, uit Smaland.

Syenitische Ragunda-porfier is een blauwgrijs of groenig bruin gesteente met vele kristallen en aggregaten van roodgrijze of rose witte orthoklaas in tabletvorm of als zuiltjes van 1-20 mm, welke rijk zijn aan hoornblendeinsluitsels. De grondmassa is fijnkorrelig, onder de loupe vallen nog plagioklaas en riebeckiet op, het laatste als vlekken, maar ook als staafjes en blaadjes. Zeldzaam erraticum.

Syenitische Rödö-porfier is een fraaie steen, als deze uit de keileem komt groen- of blauwgrijze grondmassa met grote felrode veldspaten en kleine kwartsen. Opvallende gelijkenis met sommige helsinkieten. Een vondst van Zandstra bij Sint Nicolaasga.

Wintersbach-porfier uit het Saar-Nahe-gebied, waar Rosenbusch enkele gangen signaleerde, heeft een zeer fijne bruinige grondmassa, vol witte veldspaatjes, waaronder grote goedgevormde zuiltjes van 8 â 10 mm opvallen. Het exemplaar dat Van der Lijn bij Amersfoort vond, ziet er wel onfris en verweerd uit. Zeldzaam Rijnzwerfsteentje, afgebeeld op foto 19.

Daciet

Geheten naar de oude naam Dacia = Zevenburgen, waar dit gesteente rijkelijk voorkomt, moeten we hier op de grote zeldzaamheid als zwerfsteen wijzen: Van der Lijn vond in een periode van 30 jaren stukken bij Hilversum, bij Markelo en bij Oldebroek; de eerste twee komen overeen met het originele monstertje van Lönneberga-Smaland. Het zijn porfirische gesteenten, holokristallijn, fijnkorrelig, licht tot donkergrijs, meestal rijk aan veldspaat en kwarts; de veldspaat is plagioklaas, orthoklaas is zeldzaam. Als niet in het oog lopende donkere bestanddelen komen voor: biotiet, of hoornblende of augiet, waarnaar men drie groepen onderscheidt; naar de meerderheid van het basische mineraal.
De rijkdom aan veldspaat veroorzaakt sterke verwering aan de oppervlakte der zwerfstenen, tot vrij diep gaande; de kwarts wisselt nog al in hoeveelheid, de biotiet vertoont enige zeshoekige plaatjes, de hoornblende slanke prisma’s. Het monster van Oldebroek, met zijn kwartsrijkdom, zijn glasglanzende breuk en grote dichtheid wijkt wel ver af. De herkomst dezer zwerfstenen moet in Smaland worden gezocht, bij Lönneberga, Karlstorp of daaromtrent. Verwisseling kan plaatsvinden met fijne harde aplieten en grijze kalkstenen. Slechts enkele vondsten zijn ervan bekend uit Nederland.

pict1.jpg

 

 

 

77. Sanidienkristallen uit verweerde latiet van Amersfoort.

Trachiet en latiet

Deze gesteenten vinden we meestal zo sterk verweerd in onze zandgraverijen, dat we ze zonder moeite kunnen vergruizelen of verkruimelen, terwijl we ons dan daarbij in ‘t bezit kunnen stellen van de mooie heldere, soms wel tot drie centimeter grote orthoklazen, de voor trachiet zo typische sanidien-kristallen (sanis = tafel), afgebeeld in Fig. 77. Hét zijn jonge vulkanische gesteenten, ontstaan 30 miljoen jaar geleden in het Tertiair uit magma’s van syenietische tot monzonietische samenstelling. Ze zijn van korrelige tot poreuze bouw, lichtgrijze kleur, laag soortelijk gewicht en van typische ruwe breuk, tengevolge van de aanwezigheid van wat fijnblazig glas in de grondmassa, welk laatste kenmerk dan ook de naam aan het gesteente bezorgde (trachys = ruw). Het verse gesteente doet denken aan uitgestreken portlandcement en bij geringere dichtheid aan puimsteen; door de losse bouw en de rijkdom aan veldspaat is het s.g. soms nog beneden 2.5, terwijl het verweringsproces vrij snel zijn invloed doet gelden, wat men helaas aan de Keulse Dom maar al te goed bemerkt. De grond- massa bestaat bijna geheel uit ietwat ronde veldspaatindividuen van de tweede generatie, verder uit wat pyroxeenmineralen, amfibool en soms ook wel biotiet. Zie foto 36.
De grootste veldspaateerstelingen zijn sanidien, de tweede generatie is anorthoklaas en plagioklaas. De sanidienkristallen behoren tot de meest interessante verschijningen. Soms volkomen idiomorf, in prachtige kwadratische doorsneden, als plaatvormige tweelingen, die hoewel zeldzaam, wel eens kruisvormig kunnen zijn vergroeid, zijn ze gemakkelijk los te werken. Door beweging tijdens de effusie van het gesteente braken de sanidienkristallen vaak in fragmenten, die men wel als bijeenbehorend heeft waargenomen. Een andermaal zijn door magmatische resorptie ( opslorping), de kanten en hoeken zozeer afgerond tot er slechts ei- en kogelvormen van overbleven. De biotiet is idiomorf en vormt als insluiting enkele dikke zeskantige tafeltjes. De amfibool is de bruine hoornblende, die zich voordoet als tot een centimeter grote zuiltjes. De normale pyroxeen is een grijsgroene diopsied van prismatische vorm, maar van kleiner gestalte gewoonlijk dan hoornblende. Tridymiet treffen we in onze latieten zelden megascopisch aan, van 2-4 mm, glas zien we pas bij zeer sterke vergroting.
Het Zevengebergte is tot natuurreservaat verklaard; de vulkanen en de vroegere ontsluitingen zijn met bos begroeid. Steenstukken zijn dan ook moeilijk te bemachtigen in het oorsprongsgebied onzer trachieten en latieten. Blijkens het profiel Fig. 78-A, is een groot deel van de Drachenfels verdwenen en moet veel er van door de Rijn zijn weggevoerd. Toch is het aantal zwerfstenen van latiet in ons land gering, zodat deze in vele verzamelingen ontbreken, waarschijnlijk ook wel door de grote vatbaarheid voor verwering, welke door allerlei oorzaken nog wel uiteen loopt (zie kaartje Fig. 78). De trachiet en latiet variëert in de koppen: Schallenberg en Geiszberg hebben kleine sanidientjes, de Jungfernhardt is bijna sanidienloos, de Grote Oelberg heeft grove hoornblende-insluitsels tot 5 cm lengte. De voorgaande beschrijving heeft betrekking op latiet van de Drachenfels.

Geologisch kaartje van het Zevengebergte, naar Uhlig.

Trachiet is het materiaal van de Perlenhardt, die zijn naam draagt naar het door witte oligoklaaskorrels gevlekte gesteente; als andere eigenaardigheid gelden de tot 10 cm lange, maar veeltijds kortere, sanidienen, alsmede de rijkdom aan tridymiet. Van Melzen vond een exemplaar bij Reek.

Latiet is een vrij zeldzaam gesteente, dat aan of nabij de oppervlakte werd gevonden bij Amersfoort, Maarn, Arnhem, Mook enz., hoofdzakelijk in Midden- Nederland. Bij Noordbergum kwam bij een boring een flink stuk vanuit 60 m diepte omhoog, een mooi bewijs voor de aanwezigheid van Rijnafzettingen in Noord-Friesland. Het is vroeger nog al eens als bouwmateriaal ten onzent aangewend, en ook kanonskogels zijn er uitgehakt (Anderson, 1972).

Andesiet

Andesiet is het uitvloeiingsgesteente van het diorietmagma met een porfierstructuur, waarvan veldspaat de grondmassa vormt en plagioklaas naast augiet of amfibool de fenokristen zijn. Het gesteente is genoemd naar de Andes, het Zuid-Amerikaanse ketengebergte met de vele andesietvulkanen. Rondom de Grote Oceaan, waarlangs de vulkaanrijen liggen, vindt men langs alle kusten de andesietuitvloeiingen, zodat men de zgn. andesietlijn op de kaart geheel heeft doorgetrokken, van Nieuw Zeeland over Indonesië-Japan-Aleoeten-West-Amerika tot Kaap Hoorn. Onze andesietische zwerfstenen stammen zowel uit het Praecambrium van Zweden als uit het Tertiair van het Zeven- gebergte. In de echte andesieten ontbreekt de sanidien, in de Duitse komt ze vrij veel voor, al is ‘t soms in kristalletjes van 3 mm; men noemt deze dan ook gewoonlijk trachy-andesiet om de duidelijke verwantschap met trachiet. De vrij dichte grondmassa is zeer fijnkorrelig en megascopisch niet te ontleden, hoewel met de loupe de tot 3 mm grote daarin liggende mineraalindividuen wel zijn te onderscheiden: plagioklaas (bestaande uit oligoklaas, andesien en labrador, licht van kleur evenals de sanidien) en donkere bestanddelen (amfibool, pyroxeen en soms ook biotiet). Naar deze donkere eerstelingen spreekt men van amfibool-andesiet, augiet-andesiet en biotiet-andesiet. In het algemeen zijn het lichte, paars- of rosegrijze tot donkergrijze gesteenten, die zich van de trachieten en latieten onderscheiden door hoger gehalte aan donkere bestanddelen. In ons land zijn het vrij zeldzame verschijningen. Bij verwering treden gele, bruine of grijs-witte tinten op.

 

pict2.jpg

78A. Profiel door het Rijndal bij Königswinter: links de Rodderberg (basalt), midden de
Drachenfels (latiet) en rechts de Wolkenburg (andesiet met basaltgang). Naar Laspeyres en Cloos.

 

Abb. 4: Schnitt durch die Quellkuppe des Drachenfels und den Latit-Schlot der Wolkenburg, rekonstruiert. Westen ist links.

Amfibool-andesiet is de meest voorkomende vorm; een aantal krijtachtig verweerde rolstenen ervan is uit Rijnafzettingen in Midden-Nederland bekend. In de Noordoostpolder trof Van der Lijn een fraaie ronde gletsjermolensteen aan. De laatste is zeer zeker afkomstig uit Smaland, de andere zijn het type van de Wolkenburg-andesiet, dat men ook aantreft aan de Hirschberg, Wiemersberg, Breiberg en Stenzelberg, aan deze laatste soms met hoornblendekristallen van 10 cm. Soms hebben de zwerfstenen de vormen van vulkanische bommetjes. Op foto 37 is ‘n normaal type afgebeeld.

Augiet-andesiet is schaarser. Van der Lijn vond twee goed geconserveerde stukken bij Urk, niet ver van het Reservaat. Deze moeten wel uit Smaland afkomstig zijn. In situ treft men augiet-andesiet in het Zevengebergte slechts aan bij Himmerich, oostelijk van Honnef en aan de zuidelijke voet van de Wolkenburg. Ze ziet grijswit tot donkergrijs en is driemaal als zwerfsteen in Midden-Nederland gevonden.

Biotiet-andesiet is nog zeldzamer. Eén exemplaar van Roden bevat mooie zeshoekige biotietplaatjes naast amfibooltjes. Herkomst het noorden van Schonen. Van Melzen vond er een bij Mill, afkomstig uit het Zevengebergte.

Andesiet-lava is een zeldzaam voorkomende zwerfsteen, grijs en met dezelfde bestanddelen als andesiet, maar min of meer poreus en met duidelijke vloeistructuur, zoals het exemplaar van Urk in het Schokker Museum vertoont en afkomstig zal zijn van Schonen; ook uit de groeve De Boer bij Sibculo kwam een stuk.

Porfiriet

Porfiriet is de ouderwetse benaming voor porfirische gesteenten, ontstaan uit vooral dioritisch magma, met een zeer vast verkitte grondmassa, waarin eerstelingen van plagioklaas opvallen als wittige hoekige plekjes. Maar ook donkere voorkristallen zijn zichtbaar als stipjes, lijstjes en min of meer zuivere vierhoekjes, bestaande uit hoornblende of augiet, soms ook uit biotiet. Vaak komt ook nog voor pyriet, granaat en magnetiet als accessorisch bestanddeel. De plagioklaas is veelal vertroebeld en wat groenig, ook in de grondmassa, waardoor het gehele gesteente groengrijs wordt gekleurd. Bruine typen komen ook voor. De herkomst dezer grijze porfirieten staat niet vast; waarschijnlijk zijn ze afkomstig uit Dalarne, of uit Smaland. De verwantschap met andesieten is onmiskenbaar; ze stammen van een dioritisch magma. Enkele zijn zuidelijke zwerfstenen.

Venjan-porfiriet is een fijnkorrelige, grijze of soms wat rose getinte porfiriet, welke ook wat kwarts en glimmer bevat, evenals hoornblende in minimale hoeveelheid; de hoofdmassa is grijze plagioklaas in voorkristallen als in grondmassa, welke laatste niet heel scherp is afgetekend, zodat wel eens getwijfeld wordt, of men ook met een graniet heeft te doen. Glimmerplaatjes en witte plagioklaas spreken het duidelijkst, orthoklaas is zeer weinig aanwezig. Het is een vrij zeldzame zwerfsteen uit het zuiden van Dalarne, vooral van het Venjanmeer; maar ook zuidelijker in Värmland komen soortgelijke porfirieten voor, echter met gechloritiseerde glimmer en geoeralitiseerde augiet.

Salaporfiriet beslaat een zeer kleine plek in Zweden, moet uiteraard als zwerfsteen dan ook wel zeer zeldzaam zijn. Eén exemplaar van Urk, liggende in het Museum op Schokland, beantwoordt vrij goed aan het type. Het is een groenig grijze zeer fijnkorrelige porfiriet met wit gebleekte plagioklazen en zeer weinig amfibooltjes en glimmerplaatjes. De kwarts is onherkenbaar als fijne streepjes. De gelijkenis met gneis is opvallend, ook door de gedeformeerde plagioklazen. Komt uit de omgeving van Sala, Dalekarlië en het Venjanmeer, is een holokristallijn, porfierisch gesteente met fijnkorrelige tot dichte grondmassa van overwegend groenachtige, grijze tot violet-grijze kleur, met fenokristen van plagioklaas of hoornblende, minder met wat biotiet of augiet. Soms is het gesteente vrij rijk aan hoornblende en bevat het ook kwarts, zodat het overeenkomst vertoont met de dioriet-porfier van Quenast en Lessines in de Ardennen. Met fijnkorrelige, lichtgrijze, bonte grondmassa van dioriet en zwarte, hoekige en ietwat ronde fenokristen van hoornblende, doet een exemplaar van Markelo aan de buitenzijde sterk aan krentenbrood denken. Een exemplaar van Ees, eveneens gevonden door Van der Lijn, heeft aggregaten van amfibooltjes, die als harde dofzwarte pitten uit de lichtgrijze, zeer fijnkorrelige grondmassa steken.

Grönklittporfiriet is een biotiethoudende augiet-porfiriet, naar de aard met grijsgroene tot donkergroene grondmassa; maar ook wel met paarsbruine of bruinrode middenstof, wordt daardoor nog al eens voor een porfier aangezien, temeer daar soms naast de groene ook enkele plagioklazen rood zijn getint, een prettige verschijning als porfiriet. Het merendeel der voorkristallen heeft echter in de regel een grijsgroene kleur, hoekige vormen, zit dicht opeen en gaat weinig boven de 5 mm uit. Groene epidoot- en chlorietvlekjes en vlekken, grotendeels restanten van augiet, komen verspreid voor, naast enkele niet omgezette augietjes. Typerend is de verweringsoppervlakte met putten en de langwerpig ronde vorm der meeste zwerfstenen, die geweldig hard kunnen zijn. We treffen zowel de verscheidenheid met grijsgroene als die met bruinrode grond- massa aan. Deze laatste noemde men vroeger Orsa-porfier, maar behoort tot dezelfde formatie als de eerste. Beide zijn vrij algemene zwerfstenen en zijn afkomstig uit de omgeving van Elfdalen en het Siljanmeer.

Oeraliet-porfiriet is een donkergroen of zwart gesteente met geoeralitiseerde augieten, vergezeld in meerdere of mindere mate met gewoonlijk kleine veldspaten. De van Vaksala bij Upsala afkomstige is op de breuk donkergroen, de oppervlakte is vrij bont groengrijs of gelig grijs en voelt zacht aan, tenzij de oeralieten zijn uitgeprepareerd. De veldspaten en zwarte augieten zijn vrij groot, daardoor bestaat gelijkenis met veldspaatbasalten en trachydolerieten uit het Zevengebergte. Van der Lijn vond een exemplaar bij Amersfoort. Zie Amsterdam. In het Museum te Utrecht ligt een exemplaar van Amerongen. De Finse oeralietporfier ziet er nog somberder uit dan zijn Zweedse collega: groenzwart van buiten en zwart van binnen, met vrij grote omgezette augieten en slechts 1 à 2 mm grote veldspaatjes. Zie foto 45. Van der Lijn vond bij Drouwen een exemplaar met wel honderd uitgeprepareerde oeralieten, een zeer zwart wrattig geval; bij Markelo een exemplaar waarin op de buitenzijde de talrijke veldspaatjes als witte stipjes zichtbaar zijn. De Graaf vond 8 stuks op de Veluwe: herkomst?

Basalt

Dit gesteente verheugt zich in een algemene bekendheid vanwege het veelvuldig gebruik dat men maakt van de zwarte, meestal zeskantige zuiltjes, de brokken en het steenslag, waarvan elk jaar honderdduizenden tonnen uit Rijnland tussen Bonn en Koblenz worden geïmporteerd voor taluds, zeedijken, zink- stukken en wegen in ons land. Men werkte, vaak hangende aan een touw, met een lans of breekijzer de meters lange zuilen los en liet ze in stukken vallen, die aan de einden wat werden bekapt. Deze zuilen zijn geen kristallisatievormen, zoals dikwijls wordt gedacht, maar afkoelingsvormen: loodrecht op het afkoelingsvlak ontstonden de diepe krimpscheuren, die het gestolde magma na jarenlange afkoeling verdeelden in meest vijf- of zeszijdige prisma’s soms van 100 m lengte. Men vergelijke deze met de krimpscheuren in opgespoten klei, ook met het principe van een bijenraat met de zeshoekige cellen, zoveel mogelijk ruimte met zo min mogelijk was. Als zwerfsteen is basalt hier veelvuldig gedeponeerd, van handgrote stukken tot zuilbrokken toe, door de Rijn. Veel minder noordelijke basalten zijn in ons land gevonden. In 1923 kwamen bij het diepspitten van het Schaddeveld bij Dieren op een tiental hectaren meer dan 200 blokken basalt te voorschijn, waaronder mooie zuiltjes. Al deze zwerfstenen waren aan de oppervlakte kleiachtig, grijs verweerd. Men moet wel aannemen dat deze grote stukken in grondijs vastgevroren door de Rijn naar ons land zijn vervoerd; zo is ‘t ook mogelijk dat een enkel stuk, als van Amersfoort, in het grind kwam te liggen, ietwat afgerond. Het grijze, ook wel bruine of geelachtige verweringsverschijnsel vertonen de kleinere zwerfstenen in veel sterker mate, waardoor ze in het zand weinig opvallen, te minder doordien zandkorrels en humusdelen zich aan het verweringslaagje hechten. Basalt vertoont bijna altijd slechts een verweringskorstje ter dikte van een muntstuk, in grijze, geelbruine of rood- bruine tint, het hart van de steen ziet zwartgrijs of groenzwart tot gitzwart. soms is de korst vlekkerig (foto 38).

De naam doleriet werd door Hauy ingevoerd voor de grove en middelkorrelige basalten. De Duitse Eifel- en Rijnbasalten worden wel onderscheiden in veldspaatbasalten en trachydolerieten. Hoewel al deze basalten tot de alkalibasalten worden gerekend, worden ze niet bij andere alkaligesteenten behandeld, omdat voor ‘t onderscheiden slijpplaatjes nodig zijn.

 

pict2.jpg

 

 

 

 

 

 

 

79. Basaltzuiltje, zwerfsteen van Amersfoort.

 

Trachydolerieten zijn die gesteenten, welke, al is het slechts een klein gehalte, aan nefelien, leuciet, alkalipyroxeen en -amfibool bevatten, naast een hoger gehalte aan sanidien, dus orthoklaas. De meer of mindere rijkdom aan veldspaat is geen onderscheidingskenmerk, al spreekt men bij sterk plagioklaasgehalte gaarne van plagioklaasbasalt. Met dit al blijkt het zeer moeilijk de beide groepen uit elkaar te houden, waar Rosenbusch dan ook op wijst. Toch is er voor onze zwerfstenen, dank zij de verwering, wel een kans op herkenning. Aan de oppervlakte vertoont een nefelienhoudende steen vele verspreide putjes van de totaal verweerde nefelien; bij een sanidienhoudend exemplaar zijn de balkjesachtige indrukken over gebleven. Van der Lijn vond een nefelienhoudende trachydoleriet in de Loenermark; ook De Graaf vond aldaar een zodanige, bovendien een sanidienhoudende bij Beekhuizen-Arnhem. Deze gesteenten zijn alle licht- tot donkergrijs en platte stukken, die naar de habitus doen denken aan andesiet. Volgens Wilckens komt de trachydoleriet voor aan de Petersberg, Oelberg en Löwenburg. Links van de Rijn nog aan de Scheidsberg bij Remagen. Nefelienbasalt wordt gevonden aan de Nonnenstromberg en aan een deel van de Oelberg. Echte plagioklaasbasalt komt vooral voor aan de noordrand van het Zevengebergte en o.a. aan de Rolandbogen. De basalten van de Eifel en de Rijn zijn van jonge vorming, nastroming van de trachiet en andesiet en daardoor tussen en om deze gelegen. Deels tertiair, maar meest diluviaal, uit de tweede vulkanische fase van dit gebied; men neemt aan dat deze met de Eifel-Maarevorming slechts 10.000 jaar geleden beëindigde. De Zuid-Zweedse basalten zijn wat ouder; volgens Printzlau en Larsen (1972) dateren ze uit het Midden-Krijt. Ze hebben niets te maken met de eocene basalttuffen van het Skagerrak.
Naast de indeling der basalten gebaseerd op de grotendeels slechts microscopisch te constateren mineralogische samenstelling, geven we hier de megascopisch te onderkennen soorten en verscheidenheden.

 

80. Twee basaltkoppen in het Zevengebergte, de Petersberg en de Nonnenstromberg; de basalt doorbrak steilstaande Devoonleien en zandstenen zowel als Tertiairtuffen. Naar Laspeyres.

 

 

pict1.jpg

 

81. Basaltkop Scheidsberg, bij Remagen (naar Möhl).

1.      Dichte matzwarte basalt met weinig zichtbare mineralen, meestal alleen enkele geelachtig verweerde olivijnen. Zowel van Skane als uit de Rijnstreek. Soms bereikt de olivijn vuistgrootte in concreties (zie foto 8).

2.      Nefelienbasalt, dichte grijszwarte basalt met een wirwar of netwerk van lichte grijze vlekken, door de arbeiders in de basaltgroeven steen met ‘zonnebrand’ genoemd. Het schijnt dat ook nefelienarme of -vrije basalten dit verschijnsel kunnen vertonen. Herkomst Rijnstreek of Zuid-Zweden. Bij Urk vond Van der Lijn een dergelijke basalt, reeds in hoekige stukjes uiteengevallen, een noordelijke, welke zeldzaam voorkomt.

3.      Veldspaatbasalt heeft op de verweringsvlakken een buitengewoon duidelijke porfierstructuur: in een fijnkorrelige grijze grondmassa liggen witte veldspaten en zwarte, goedgevormde augieten, terwijl kleingoed de ruimten wat opvult. Op het zwarte, dichte breukvlak vallen de mineralen nauwelijks op, de geelgroene olivijn is ook niet sprekend. Biotiet, magnetiet en glas komen ook voor, maar de plagioklaasbasalt bestaat toch in hoofdzaak uit veldspaat, augiet en olivijn; ze komt ook wel grofkorrelig voor en met zonnebrand. Deze basalt vormt de Petersberg, Nonnenstromberg en Oelberg (zie het kaartje); en links aan de Rijn de Dächelsberg en Rolandseck. De jongste vormingen in de omgeving zijn toch nog ± 20 miljoen jaar oud.

4.      Dezelfde basalt met zeer grote augieten en kleine plagioklazen, het type van de Fornicherkopf bij Brohl aan de Rijn en bij Godesberg (zie foto 39).

5.      Hoornblendebasalt is een dichte zwarte basalt met een grote rijkdom aan naaldjes van donkere basaltische hoornblende, die min of meer een ophietische structuur veroorzaakt, en doet denken aan sommige diabazen.

6.      Basaltlava, poreus, grijs tot zwart, al of niet op de breuk met witte nefelien, blauwe hauyn, e.a. mineralen. Afkomstig van de oppervlakte der lavastromen, welke door erosie zijn verdwenen. Zeldzaam van Schonen, meer van de Eifel, de Rodderberg en Niedermendig (zie foto 40). Oude maalstenen zijn veelal van Niedermendiger Mühlsteinlava; de brokken ervan hebben de zwerfsteenzoekers menigmaal misleid. Ook Mayen leverde ze.

7.      Gebrande lava zit vol kristallen van veldspaat, augiet, leuciet, hoornblende en het gidsmineraal rubellaan, een roodbruine glimmer, typerend voor de gebrande lava van het Laacher Seegebied, die paarsbruin in hoofdkleur is. Zeer zeldzame zwerfsteen.

8.      Melafier (melas = zwart) heeft een dichte, soms groene grondmassa met weinig tot zeer veel fenokristen van veldspaat, welke aan een verweerd oppervlak of in windlak het best zichtbaar zijn. Ook komen amandelstenen voor met ronde, langwerpige of kronkelige holten en insluitsels van calciet, witte zeolieten, fraai groene delessiet en achaten; blijkbaar was de dik vloeibare smelt tijdens de afkoeling rijk aan gassen en dampen, welke na ontsnapping of condensatie holten achterlieten in het inmiddels afgekoelde en verstarde gesteente. Geleidelijk werden deze met door het gesteente diffunderende kiezel-, kalk en ijzeroplossingen gevuld. De chalcedoon en kwarts vormden de fraaie, gestreepte achaten, ook wel een prachtig wit aderwerk in het donkere gesteente.

83. Melafieramandelsteen naar erratica van Maarn en Amersfoort; rechts onder achaten.

Langs de Nahe ligt een melafiergebied, waarin het sterk verweerde uitvloeiingsgesteente werd losgehakt ten einde de in de blazige holten gevormde achaten te verkrijgen, die in de nabijheid te Idar en Oberstein, werden gezaagd, geslepen en veelal geverfd. Thans. ontgint met o.a. bij Fischbach het harde, zwarte op basalt gelijkende gesteente voor de wegverharding. Daarnaast staat nog een meer verweerde berg, waarin achaatvormingen zijn te vinden. In de talrijke slijperijen van Idar-Oberstein verwerkt men alleen buitenlands materiaal of synthetisch goed; het achaten kloppen wordt al sinds 1870 niet meer gedaan. Liefhebbers doen in de Ofenkaulberg toch nog mooie vondsten.
Het is melafier wel aan te zien dat het een permische basalt is. De melafier is danig omgezet en verweerd, zodat we dan ook bijna nooit een zwarte zwerf- steen ervan aantreffen; gewoonlijk zijn ze grijsgroen, zwartgroen of bruinrood tot paarsbruin gekleurd, met veelal duidelijke roestvorming tot in het hart van de steen toe. De insluitsels van kalkspaat zijn dan vaak uitgeloogd en het gesteente is bijwijlen soms zo bros, dat men de kleine kogeltjes uit de holten kan breken; zo komen ook de achaten los, waarvan men hier meestal slechts stukjes vindt. Een enkele maal is de oppervlakte van de melafierzwerfsteen met een paarsbruin verweringspoeder bedekt.

Melafier-amandelstenen zijn door de holten uiteraard meer aan verwering onderhevig dan de dichte melafieren; toch zijn ze niet al te zeldzaam in het riviergrind, waar ze afkomstig zijn van uit het Saar-Nahegebied. Daar in het Oostzeegebied benoorden Gotland en bezuiden de streek der Oostzee-porfieren ook melafier voorkomt, hebben daarvan stukken ons land bereikt, blijkens het niet zeldzaam voorkomen ervan onder de noordelijke erratica in Drenthe en in de keileem. Op foto 41 een zuidelijk exemplaar.

pict1.jpg

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

pict2.jpg

82. Basalten grenspaal van de hoge heerlijkheid het Loo, Apeldoorn.

83. Melafieramandelsteen naar erratica van Maarn en Amersfoort; rechts onder achaten.

Diabaas

In Fennoscandië en Noord-Amerika verstaat men hieronder duidelijk kristallijne basaltische gesteenten, gekenmerkt door ophietische structuur (zie Fig. 84). In Midden-Europa worden onder deze naam veelal oude dolerieten en basalten met groensteen-omzettingen begrepen. We vinden ze in alle mogelijke variaties (diabasis = overgang) van bonte vrij grofkorrelige stenen uit het Noorden tot fijnkristallijne nauwelijks nog ophietische en in melafier over- gaande uit Rijn- en Maasgebied. Bij gebrek aan slijpplaatjes zullen er ook zeker enkele lamprofieren (ganggesteenten met veel donker mineraal) onder terecht komen — geen ramp als we ons de betrekkelijke waarde van determinatie uitsluitend met de loupe bewust zijn.
In het gebergte zijn diabazen moeilijk of niet van basalten te onderscheiden. Door het vergevorderde verweringsproces, waarin de meeste onzer diabaaserratica verkeren en de daarbij optredende verschillen met genoemde gesteenten, gelukt dit hier meestal vrij gemakkelijk. Wel kijken we vreemd aan tegen de dichte diabazen, die op de breuk schijnbaar homogeen zijn, doen denken aan kwartsiet of basalt, zowel mat als glad zijn, maar toch laten ze zich herkennen door de fraaie bruingele verweringskorst. Ook de korrelige diabazen brengen ons wel eens van de wijs, vooral wanneer ze meer uit de diepte van de gangen en dekken afkomstig en dus meer grofkorrelig en volkristallijn zijn en bovendien nog porfierstructuur bezitten. Maar deze zijn vrij zeldzaam. Het getal diabazen met de typische diabaasstructuur is echter zo overwegend, dat we met de kennis hiervan in de meeste gevallen wel klaar komen. Deze structuur, ook wel ophietische geheten, karakteriseert zich in een lijstenvorming der plagioklazen, welke ontstond tijdens de vastwording van het magma bij vrije kristallisatie, een zeer eigenaardig verschijnsel, daar bijna altijd eerst de donkere mineralen uitkristalliseren, terwijl hier de augiet het veldspaat-kristallengeraamte opvult (Fig. 84, foto 42). Het gehele gesteente bestaat alsdan uit kriskras gelegen, elkander niet of zelden aan weerszijden rakende smalle veldspaatbalkjes, die door de later gevormde allotriomorfe augietindividuen als middenstof worden vastgehouden. Bij een zeer hoog veldspaatgehalte werden de lijsten groter, vaak zowel breder als langer, raakten elkaar en verhinderden verdere verlenging. Bij zeer sterke vertakking bleef voor de middenstof hoe langer hoe minder ruimte over, de ophietische structuur werd verdoezeld en vervangen door onregelmatig korrelige. Diabaas kan vol zitten met b.v. granietfragmenten, zoals een exemplaar in het Museum op Schokland.

Oeraliet-diabaas komt minder voor dan oeraliet-gabbro, waar we reeds over deze oeralietvorming spraken. Bij de diabaas wordt soms eveneens de augiet omgezet in een soort amfibool: bruine of groenige penseelvormige bosjes in oeraliet-diabaas. Bij verwering gaan deze nieuwe vormingen ook weer in chloriet over en wordt het verschijnsel dus uitgewist. Het verschijnsel treedt in onze noordelijke diabazen veel op, maar blijkt eerst na slijpplaatjesonderzoek. Van der Lijn vond er een bij Amersfoort: de vezelige aggregaten zijn daarin duidelijk en zonder loupe te zien. Die zal wel afkomstig zijn uit het Rijngebied waar ze aan de Saar en de Moezel, volgens Rosenbusch, veel voorkomt. Van Straaten vond in Zuid-Limburg een tweetal porfirische diabazen met oeralietvorming welke vermoedelijk uit de Vogezen afkomstig zijn.

pict1.jpg

pict2.jpg

84. Ophietische structuur van asbydiabaas (links) en oejediabaas (rechts) van Urk en Sleen. Pyroxeen zwart, plagioklaas wit.

85. Kelyphietische omranding van kristallen en holten

Kelyphietische diabaas (kelyphe = schaal) vertoont fijnradiaal-vezelige, stralige randkristalletjes rondom zeolieten, in blaasruimten gevormd. Gewoonlijk zijn ‘t glinsterend zwarte haarfijne hoornblende-mineralen, die krinkelend om de witte opvullingen onder de loupe een fraaie randversiering vertonen. Dit verschijnsel treedt ook op rondom de augieten, zelfs om lege blaasruimten. Van der Lijn vond bij Amersfoort een exemplaar, waarschijnlijk van Ehrenbreitstein, waar deze diabaas voorkomt.
Waar reeds is opgemerkt dat diabaas in hoofdzaak is een plagioklaas-augietgesteente, dient hieraan nog te worden toegevoegd, dat ook meermalen, hoewel hier zelden megascopisch, olivijn aanwezig is; ook ijzerertsen, waaronder meestal magnetiet, zijn een gewoon bestanddeel, waardoor het s.g. zeer hoog wordt (tussen 2.8 en 3.0) en dat van gabbro nadert. Diabaas bevat als hoofd- bestanddelen plagioklaas + augiet, benevens nog wat hoornblende, biotiet en pyriet; bij omzetting vermindert het gehalte aan de belangrijkste componenten en neemt dat der secundaire mineralen, in dit geval calciet, chioriet, oeraliet, epidoot en kwarts toe. In de olivijnhoudende diabazen zijn de hoofdbestanddelen plagioklaas + augiet + olivijn, terwijl daarnaast nog vaak een bruine magnesiaglimmer en bruine hoornblende voorkomen; opmerkelijk zijn hierbij de overgangen van een ophietische naar een porfierstructuur, welke gekenmerkt wordt door fenokristen van veldspaat, augiet en olivijn. Hoewel de augiet zich hardnekkig verzet tegen verwering, en men aan de oude vulkaantjes in de Eifel een handjevol kristallen of fragmenten kan verzamelen, vertoont de augiet wel eens een oud muurtje in ‘t klein, met de zo typische rechthoekige opbouw (vgl. Fig. 33 en 86). Typische olivijn-diabazen komen voor aan de oostrand van het leisteenplateau van de Rijn, o.a. bij Weilburg en Dillenburg, maar ook in de diabaasgebieden van Zweden en in de Oostzee zijn ze algemeen. Hier en daar ziet men diabazen, welke door metamorfose schisteus zijn geworden en omgezet in chlorietschist e.a. Op sommige plaatsen, b.v. in Nassau, is aan de oppervlakte het echte uitvloeiingkarakter nog zeer goed bewaard gebleven, zo bij Wissenbach en Niederscheid; elders vindt men goed zichtbare diabaasgangen, zoals bij St. Goar aan de spoorweg, bij Ehrental aan de Rijn, in de leien aan de Lenne. In België zijn diabaasgangen bekend van Stavelot, Luik en Namen, in Frankrijk bij Revin aan de Maas.

pict1.jpg

86. Verweerd augietkristal

87. Labradorfenokristen in porfirische
diabaas.

Diabazen vertonen vaak een porfirische structuur. In de grondmassa liggen dan tot twee centimeter grote plagioklazen (labrador), die het gesteente een prachtig uiterlijk geven. Deze wel diabaas-porfiriet genoemde gesteenten verweren nogal gemakkelijk door het hoge veldspaatgehalte: zwerfstenen zijn daardoor haast altijd roestig bruin en brokkelig, zodat er geen mooi handstuk van valt te kloppen; vervallen schoonheden op de heide. Ze komen vrij algemeen voor. In Zweden vormen ze uitgebreide oppervlakken in westelijk Dalarne, maar ook elders, alsmede in het Oslogebied, de Vogezen en het Ruhrgebied. Uit deze laatste gebieden zijn maar enkele zwerfstenen in Zuid-Nederland gevonden; het voorbeeld van foto 43 is zonder twijfel fennoscandisch.
Bij alle diabazen is evenals bij de melafieren de neiging tot amandelsteenvorming zeer groot. Dan ontstaan min of meer slakkige rotssoorten, welke licht verweren door gemakkelijke infiltratie en luchttoetreding. De gas- en dampruimten zijn meestal opgevuld met carbonaten, zowel calciet als dolomiet, met mineralen van de chlorietfamilie, en, zeldzamer, met kwarts, chalcedoon, epidoot en aktinoliet. Zowel golfvormige bandjes als blazen, hoekige en bolronde opvullingen komen voor in de diabaas-amandelstenen (zie foto 44). De Zweedse diabazen zijn deels zeer oud, o.a. de Asby-diabaas die ca. 1350 miljoen jaar oud is en jotnische zandstenen doorsnijdt. Ze komen over de gehele oppervlakte verspreid voor in enorme dekken en gangen, in vrij grote verscheidenheid, welke echter niet voldoende is, om van alle de herkomst te typeren. Toch zijn er voor sommige nog wel enige kenmerken op te noemen, zodat we niet bij elke diabaas een vraagteken hoeven te plaatsen.
De twee grove typen zijn Asby- en Hellefors-diabaas, waarvan de eerste groenig zwart en de tweede bruinig ziet tengevolge van de bruine augiet, die geelachtig verweert. De Kinne-diabaas is een vlekkerig, bont type door de onregelmatig verdeelde vrij grote zwarte augieten; soms is deze bobbelig verweerd door de opbouw van samengeklonterde augieten, een heel andere habitus. Met de fijne diabazen slaagt men niet zo gemakkelijk zonder microscopisch onderzoek. De diabazen met insluitsels zijn weer best te herkennen: Alsarp-diabaas heeft ze rond, Brevik-diabaas hoekig.


 



 

41. Melafier (Zwerfsteen van Amersfoort). Een permische basaltlava: het gesteente is paarsbruin verweerd, de glasblazen zijn met calciet en kwarts opgevuld (amandelsteen). Uit het Nahedal of ‘t Saargebied, door de Rijn aangebracht.

 

42. Diabaas (Zwerfsteen van Een). Aan dit gepolijste vlak zien we fraai de ophitische Structuur: plagioklaas in haken, tangen of scharen tussen de zwarte pyroxeen. Herkomst Fennoscandië.

43. Porfirische diabaas (Zwerfsteen van Amersfoort). Een nogal verweerde donkere zwerfsteen waarin vooral de grote veldspaten opvallen.

44. Diabaasamandelsteen (Zwerfsteen van Amersfoort). In de fijnkorrelige ophietische grondmassa van grijsbruine kleur zien we talloze ronde opvullingen van gasblaasjes.

45. Oeralietporfiriet (Zwerfsteen van Havelte). De grote zwarte augieten vallen in dit groenzwarte geoeraliseerde zwerfsteentype sterk op. Zeldzaam, uit Zweden of Finland. Vondst Van der Kley.

46. Drammengraniet (Zwerfsteen van Werpeloh). Een 6 cm breed oppervlak van het meest kwartsrijke alkaligesteente uit het Perm van het Oslogebied. Collectie Huizinga.

 

 

 

47. Ekeriet (Zwerfsteen van Hattem). De breedte van dit oppervlak aan een der typische alkalistollingsgesteenten van het Oslo-gebied uit de collectie-Huizinga is 7 cm.

 

 

 

 

48. Nordmarkiet (Zwerfsteen van Werpeloh). Karakteristiek veldspaatrijk alkaligesteente van Noorse herkomst uit de collectie-Huizinga. Diameter van de steen 10 cm.

 

Asby-diabaas is een middel- tot grofkorrelig gesteente met duidelijke ophietische structuur door de vele tot twee â drie centimeter lange plagioklaaslijstjes, die aan het gesteente een lichtgrijze kleur verlenen en de augieten meermalen in scherpkantige stukjes schijnen te verdelen zonder die geheel te doorbreken. In de augiet bevinden zich fraai gele olivijn-korrels; de augiet zelf is bruin tot violet getint. Op de breuk is het gesteente meestal nog mooi grijsbont. Het is een niet zeldzame zwerfsteen van Asby in Dalekarlië en vooral van de Åland-eilanden, echter niet uit het zuidelijk deel van Zweden.

Hellefors-diabaas, o.a. bij Malmköping in een 42 km lange gang voorkomend van 1 km breed, is mede veelal grofkorrelig, groenzwart in goede toestand, maar meestal dof bruin of grijsbruin verweerd. De veldspaten glanzen nog wel, zijn 1 à 2 cm lang en tekenen zich af als tabletjes in een gabbro, de augieten zijn veelal roodbruin tot geelbruin, op het verweringsvlak neemt men het best de ophietische structuur waar. Veel minder algemeen dan de vorige, afkomstig uit Schonen en Södermanland, Oost-Gotland.

Alsarp-diabaas uit Kalmarland is grijszwart, fijnkorrelig en van typisch ophietische structuur met een basaltisch uiterlijk, maar met enkele ronde insluitsels van veldspaat en kwarts, ingesmolten als resten van doorbroken ogengneis ter grootte van 1-4 cm; de veldspaten zijn grijsrood, nog oogvormig, de kleinere kwartsen zijn donker en onopvallend. Zeer zeldzaam, uit de slechts 5 m dikke gang van Alsarp.

Sjannaryd-diabaas uit Smaland is een fijnkorrelige porfierische diabaas bijna zonder ophietische structuur, met een dichte grondmassa en daardoor op basalt gelijkend met voorkristallen van plagioklaas van 1—3 mm en enkele grotere. Op de verweerde oppervlakte ontdekt men skeletten van kristallen en bundeltjes, ook wel radiaalstralige aggregaatjes, benevens verweringskuiltjes. De breuk is nog fris en hoekig. Van uit Duitsland worden 4 exemplaren vermeld. Als de vorige, zeer zeldzaam.

Sternö-diabaas uit Blekinge is hier nog niet gesignaleerd, maar moet toch wel voorkomen, doch zal niet als diabaas zijn herkend, daar de structuur niet ophietisch is en het gesteente een gabbroied of porfirisch uiterlijk heeft door de 1-3 cm grote plagioklazen, welke liggen in een grijszwarte omhulling. De diallaag is zeer bescheiden van afmeting, de magnetiet- en pyrietkorrels zijn nog kleiner; zwak schisteus en wat rimpelig van breukvlak waarop wat biotiet glinstert, valt het gesteente niet als diabaas op; men kijke zijn gabbro’s en porfieren eens na!

Oeje-diabaas van het Mälarmeer of uit West-Dalarne, waar ze in de Dalazandsteen een laag vormt van 70-80 m dikte over 100 km, is weer een typische dichte diabaas met fijne ophietische structuur en groenzwarte kleur, waarin de veldspaten 2-10 mm lang zijn en deels een grotere plaats innemen dan de weinige ingesloten langzuilige augieten. Soms zijn de plagioklazen veel groter, maar veelal zijn ze groenwit door epidoot- en chlorietvorming, aan de oppervlakte zowel als op de splijtkanten waar te nemen onder de loupe. Kwarts en olivijn ontbreken beide. Hier vrij algemeen, evenals de porfirische typen waarvan de fenokristen soms 2-4 cm lang zijn en van lichtbruinrose of groen-witte kleur. Veelal zijn de stenen sterk verweerd, roestig en brokkelig, vervallen schoonheden, uit Dalarne merendeels. Waar de diabaas door de zandsteen breekt bevat ze vaak zand, onverteerde kwartskorrels.

 

pict1.jpg

 

 

88. Porfirische Oejediabaas: veldspaat wit, chloriet zwart.

Oeje-diabaas-amandelsteen, uit dezelfde gebieden, vertoont een gelijke grond- massa met ophietische structuur, maar daarenboven nog amandels, rijk in vormen, zelden rond, meest onregelmatig, langwerpig, vaak met bijamandeltjes, welke groepsgewijs of laagsgewijs zijn gerangschikt. De inhoud is geen kalkspaat, maar glazige witte kwarts of groenzwarte chloriet, ook wel zeolieten en epidoot; soms vertonen zich langgerekte achaten. Naast deze amandelsteen komt nog een ander type voor. De grondmassa is megascopisch niet te ontleden, de plagioklaas-fenokristen zijn wel tot 3 à 4 cm groot en rijk aan groene parallel gelegen chioriet- en epidootinsluitsels, terwijl de amandels rond zijn. Uit West-Dalarne, beide zeldzaam.

Oostzee-diabaas, de zozeer op basalt gelijkende, is diep grijszwart, heeft een zeer fijnkorrelige, maar wijdmazige structuur, onder zeer sterke loupe pas als ophietisch te onderkennen. Op de breuk is het een fris gesteente, veelal glinsterend door de kleine veldspaatjes van 1-6 mm; vaak komen 1-3 mm grote ronde zwarte amandeltjes voor, soms door een ringetje van plagioklaas omgeven. De breuk is oneffen, brokkelig, scherpkantig tot schelpvormig, de korst door verwering meestal kaneelbruin tot donkerbruin. Gletsjerkrasjes versieren vaak de zwerfsteen, die vrij zeldzaam is. Herkomst tussen Gotland en de Ålandeilanden.

Brevik-diabaas uit Smaland is een echte rolsteendiabaas uit de buur van Växjö, waar deze voorkomt in een gang van 60 km lang en 30-200 m dik. De diabaas is grijsgroen tot grijszwart, fijnkorrelig en duidelijk kristallijn, bij verwering bovendien zichtbaar ophietisch; zij bevat 2-12 cm grote, deels opgesmolten stenen van leptiet, kwartsiet, zandsteen, graniet, gneis, enz., welke meestal uit de zwerfsteen steken, en afkomstig zijn van het doorbroken gesteente, hoofdzakelijk conglomeraatlagen. Vrij zeldzaam.

Grängesberg-diabaas moet als zwerfsteen wel zeldzaam zijn: Van der Lijn vond deze slechts eenmaal bij Markelo in een keileemgroeve, een echt mooie steen, ver uit het noorden. De diabaas is van een ongewoon bont uiterlijk door de grote Witte, deels rose veldspaten, Welke hier en daar schitteren als labradoriet. Het gesteente bevat olivijn, plagioklaas, orthoklaas en kwarts, lichtgekleurde augiet met hyperstheen-augiet in de kern. Minder opvallend zijnde hoornblende, biotiet en het ijzer- erts. Vermoedelijk heeft deze diabaas veel van het aangrenzende, doorbroken gesteente opgenomen, vandaar ook de grote tot twee centimeter reikende veldspaten, die deels labrador-oligoklaas-andesien, deels anorthoklaasachtige plagioklaas met overgang naar orthoklaas zijn. De diabaasgang noordwestelijk van Grangesberg is ongeveer 12 km lang en 20-30 m breed, wat niet veel mogelijkheden op zwerfstenen naar onze streken biedt.

Bornholm-diabaas is een donkergrijze, korrelige en ophietische diabaas met centimeter lange, ellipsoidische veldspaten en enkele kwartskorrels, benevens andere insluitsels. Van Alsarp-diabaas te onderscheiden door olivijngehalte, met biotiet en hoornblende. In het Museum te Utrecht ligt een exemplaar van Amersfoort.

Kinne-diabaas, geheten naar Kinnekulle aan het Wettermeer, waar ze een oppervlakte van 20 km inneemt, maar als type ook in Schonen voorkomend, is hier als zwerfsteen zeldzaam. Deze diabaas is van ordovicische ouderdom. Is ze nog goed geconserveerd dan vertoont ze een gevlekt voorkomen, daar de 1-4 mm grote augieten onregelmatig zijn gegroepeerd in de grijsgroene omgeving van zwak ophietische structuur, soms overgaande in een korrelige. Op de breuk is het gesteente grijs- tot zwartgroen, de gehele steen doet soms aan een schijf van een zuiltje denken, met rechte kanten dus. Sommige verweerde exemplaren vertonen een roestig, bobbelig oppervlak en dito breuk, vallen in balletjes uiteen. Een nadere bespreking vindt men bij Vrijman en Westhoff (1969).

Hunne-diabaas heeft een duidelijke ophietische structuur, gelukt daardoor wel op de grove Asby-diabaas, doet bij grote korreling zelfs wel gabbroied aan. De zwartgrijze diabaas komt ook middel- en fijnkorrelig voor en doet dan weer denken aan Kinne-diabaas; is even oud. De Hunne-diabaas bevat echter twee soorten augiet, nl. een licht verweerbare, brokkelige, die lichtgeel of kleurloos is in het slijpplaatje; en een bruine of bruingele, meestal zonder regelmatige begrenzing en de eerstgevormde augiet omsluitend. Deze is in massa wel dubbel zoveel aanwezig als de eerstgenoemde en moeilijk verweerbaar. Plagioklaas maakt tweederde van het gesteente uit, bovendien zijn aanwezig apatiet, titaanijzer, wat kwarts, biotiet en hoorblende. Soms komt een tweede generatie voor van vervilte, warrige plagioklaaslijstjes. Geheten naar de Hunne- berg, ten zuiden van het Wenermeer, treft men toch dezelfde diabaas ook aan in zuidelijk Dalarne en in Smaland. Een zeldzaam gesteente.

Konga-diabaas, kwartsdiabaas, is geen gidsgesteente, daar het volgens Hesemann een zeer groot verspreidingsgebied bezit: in Schonen, aan het Wettermeer, in Dalsland, op de Ålandeilanden, enz. Voor Zweden is de diabaas in Schonen nog vrij jong, volgens Magnusson uit het Perm. De diabaas is fijn- tot middelkorrelig, ophietisch, groenachtig tot donkergrijs; kwarts en micropegmatiet zijn ongewone diabaas bestanddelen. Meestal zijn er twee soorten augiet aanwezig, kleurloze, licht verweerbare en roodachtige of gele, vrij frisse, maar niet met zuivere kristalbegrenzing. De kwartskorrels zijn primair en liggen als opvulling tussen de plagioklaaslatjes. Kalkspaat, epidoot en chloriet zijn secundair. De soort wordt veel over ‘t hoofd gezien, moet niet zeldzaam zijn.

Parel-diabaas is een door damp onder hoge spanning tijdens de stolling ontstane sponsachtige diabaas, waarin later de kogelronde dampholten zijn opgevuld met later roestige mineralen, die vrij los in het gesteente zitten en bij verwering er uit rollen als hagelkorrels, ook wel variolen geheten en het gesteente daarnaar varioliet genoemd. Enkele vondsten.

Maas-diabaas. In België zijn diabaasgangen bekend van Namen, Stavelot en Luik, in Frankrijk bij Mairus. Het aantal diabazen in Zuid-Limburg is dan ook groot. Een drietal door Felder gevonden bij Vijlen (80x60), van Spaubeek en St. Geertruid vertonen een zwakke ophietische structuur, het best zichtbaar bij schuine belichting. Andere kenmerken ontbreken aan deze grijsgroene, en bruinverweerde diabazen.

Puimsteen

Bij de grote uitbarstingen in de vulkanische Eifel, in het Zevengebergte en van de Rodderberg, werden ontzaglijke hoeveelheden fijn en grof materiaal in de lucht geslingerd, ten dele bestaande uit puimsteen. In het Neuwieder Becken aan de Rijn ligt de witte puimsteen in een bank tot 6 m dik; de grijze puimsteen is van later tijd en ligt bij de Laacher See tot 5 m dik. De grote hoeveelheid van dit materiaal leidde tot aanwendig voor bouwdoeleinden. De puimsteenregen moet door het lage soortelijk gewicht van dit materiaal, hetwelk zelden 0.5 te boven gaat, ook de Rijn hebben bedekt, evenals bij vroegere uitbarstingen min of meer was geschied; het puimsteengrind blijft ongeveer een jaar drijven en zal dus ruimschoots ons land hebben bereikt. In een zand- of grindgroeve aan de Rijn herkent men bij Bonn dunne snoertjes van wit puimsteengrind, dat soms lagen van 20—30 cm dikte heeft gevormd in stukjes, vrij goed afgerond, ter grootte van een erwt of boon, soms wel in handstukken. De oorzaak van het ontstaan van de steenvorm, die we puimsteen noemen, moet worden gezocht in de rijkdom aan gassen en dampen van de taaie smelt, onder hoge druk verkerend. Bij opstuwing in de krater en uitvloeiing ontstaat een plotselinge drukontlasting tot één atmosfeer en een geweldige bellen- vorming in de smelt, die tevens snel wordt afgekoeld, de dampen en gassen laat ontwijken, waarbij de lavaglashuidjes, inmiddels hard geworden, blijven staan in onderling verband. Is de lava niet zo rijk aan gassen, dan is de gunstige voorwaarde geschapen voor uitvloeiing tot vulkanisch glas of obsidiaan. Puimsteen is dus geen zelfstandig gesteente, maar een structuurvorm, schuimachtig opgeblazen trachiet of andesiet, met dezelfde chemische samenstelling. Dat in ons land zo weinig melding wordt gemaakt van puimsteenvondsten zal wel liggen aan het weinig opvallende tengevolge van slappe kleur en geringe grootte van het puimsteengrind. In de verslagen van grondboringen treft men meermalen de term puimsteenkorrels aan voor de gevonden materie. Zo kwamen bij Schellingwoude, in Amersfoort en bij Grave o.m. dergelijke puimsteenkorrels voor de dag. Bij Soesterberg vond Van der Lijn een stukje in praeglaciaal grind van de Stomperd. De Graaf vond in de Byland een rolsteen van 7x5 cm. Een ca. 2 m dikke geulopvulling uit het late Pleistoceen werd uit de Betuwe door Crommelin (1963) beschreven. Het voornaamste bestanddeel van deze tussen Doornenburg en Malburgen door boringen aangetoonde (minstens 10 km lange) zandbaan is geelgrijze puimsteen welke bestaat uit vulkanisch glas met hier en daar fenokristen van augiet en basaltische hoornblende. Crommelin maakt wel zeer aannemelijk dat deze merkwaardige laag is afgezet door een modderstroom, direct verband houdende met de laat-pleistocene geweldige eruptie waarbij de Laacher See ontstond. De mens moet daarvan nog getuige zijn geweest. Er zijn vondsten van vuurstenen vuistbijlen en rendiergeweien, liggende direct onder een dikke puimsteenlaag kort bij de Laacher See!

IJslandse puimsteen, bruin of zwart, zou in jonge kustafzettingen van ons land kunnen voorkomen, Op de Noorse kusten is dit materiaal niet heel zeldzaam, evenmin langs de Britse eilanden; ook Zweden, Denemarken, Noord-Duitsland leverden vondsten. Volgens Binns (1972) die er een uitgebreide studie aan wijdde, zijn al deze door zeestroming aangebrachte drijvende zwerfstenen ontstaan bij holocene erupties van vulkanen op IJsland. Men verwarre deze puimsteen niet met de hoogovenslakken van Middlesborough, kunstproducten die op onze stranden vrij talrijk zijn!

Limburgiet. Zoals bij de dieptegesteenten de als laatste besproken pyroxeniet en peridotiet de meeste mafische mineralen bevatten, zo moet ook het deel van dit boek dat over de uitvloeiïngsgesteenten handelt daarmee besloten worden. Limburgiet (naar Limburg/ Kaiserstuhl!) is een roet- zwart gesteente, voornamelijk bestaande uit pyroxeenkristallen met wat glas, microlieten van olivijn en augiet bevattend. Porfierisch is de structuur van de ene zwerfsteen van limburgiet, door Van der Lijn bij Hilversum gevonden, vanwege zwarte fenokristen van augiet. De herkomst van dit erraticum kunnen de smalle gangen in Zevengebergte of Taunus zijn, maar Schonen is niet geheel uitgesloten.

Pikriet. Dit gesteente bestond oorspronkelijk uit olivijn en pyroxeen, verder een weinige plagioklaas en ertsmineraal. Aangezien onze zwerfstenen van deze samenstelling uit het Devoon van het Westerwoud (waar ze b.v. bij Dillenburg voorkomt) al een hele historie achter de rug hebben, is de olivijn geserpentiniseerd en de pyroxeen gechloritiseerd. Een dergelijke zuidelijke zwerfsteen vond Boekschoten bij Laren (N.H.). Van der Lijn trof een porfierische vorm, met zwarte fenokristen van augiet, bij Amersfoort aan.

ALKALIGESTEENTEN

Een groep die afzonderlijk behandeld wordt omdat enerzijds de mineralogische samenstelling (veel alkaliveldspaten, ook foïeden zoals nefelien en leuciet) en anderzijds de voornamelijk tot het Oslogebied beperkte herkomst deze gesteenten slecht in de reeds behandelde groepen van stollingsgesteenten laat wringen. Onder deze noemer zullen zowel diepte- als gang- en uitvloeiïngsgesteenten worden behandeld. Bij de omzettingsgesteenten komen we ze niet tegen: in ‘t herkomstgebied van onze zwerfstenen komen ze niet voor en ze zijn in het algemeen zeer zeldzaam. Een zo opmerkelijke groep stollingsgesteenten vindt specialisten die zich in het bijzonder met deze zwerfstenen bezig houden. Ten onzent heeft de heer M. H. Huizinga, verbonden aan het Geologisch Instituut te Groningen, aan de hand van een grote collectie eigen vondsten en van de door Brögger samengestelde petrografische verzameling uit het Oslo- gebied, een uitzonderlijke kennis van deze erratica verworven. Zijn inzichten konden worden getoetst en juist bevonden door de Noorse petrograaf Oftedahl, die zich veel met Oslogesteenten heeft beziggehouden. De bewerker van het Keienboek prijst zich gelukkig van de heer Huizinga een manuscript ter inzage te hebben gekregen handelend over de stollingsgesteenten van het Oslogebied. Aan de hand van dit manuscript is het volgende overzicht der alkaligesteenten opgesteld.

Het Oslogebied

Een geologisch kaartje van het gebied vindt de lezer in figuur 89. Boven de zeespiegel is het ongeveer 200 km lang en 70 km maximaal breed. Enkele gangen reiken intussen nog ver daarbuiten, waardoor op Zweeds gebied enkele uitlopers te vinden zijn. Kjerulf (1865) was de eerste die het gebied om Kristiania (zoals Oslo toen nog heette) nader onderzocht. W. C. Brögger (ca. 1890-1930) is degene geweest die het tot een klassiek gebied maakte; hij verrichtte veel gedetailleerd werk en benoemde talrijke door hem ontdekte gesteentetypen.

pict1.jpg

89. Geologische kaart van het Oslogebied, naar Holtedahl en Oftedahl.

Naschrift: Via internet is met de volgende link de kaart in meer detail te vinden: http://www.ngu.no/kart/bg250/

Helaas kon zijn nomenclatuur niet steeds worden gehandhaafd; enerzijds omdat sommige van de meer dan honderd onderscheidene gesteenten reeds eerder door anderen elders een naam hadden gekregen, anderzijds bestaat in onze tijd bij de petrografen sterk de neiging de nomenclatuur te vereenvoudigen om het bos beter dan de bomen te kunnen zien. Tenslotte bleek dat de veldspaatdeterminaties te wensen overlieten; anders dan men vroeger dacht is microklien hoogst zeldzaam, en overheersen plagioklazen. Deze eigenaardigheid is een belangrijk gegeven ter onderscheiding van de Oslogesteenten van de andere zwerfstenen uit stollingsgesteente, die heel vaak die veldspaat bevatten. Classificatieproblemen blijven bestaan tenslotte, omdat het volgens Oftedahl mogelijk is b.v. alle overgangen te vinden van graniet naar olivijngabbro.
Op de geologische kaart (Fig. 89) zien we dat het Oslogebied een slenk is, een omlaaggezakte schol van de aardkorst te midden van praecambrisch gesteente. Langs de randen treffen we cambrische, ordovicische en silurische schalies en kalkstenen aan, overdekt door rode zandsteen uit de overgangstijd tussen Siluur en Devoon. Plaatselijk ligt hier dan nog rode zandsteen uit het Perm op, maar in dat tijdvak vonden ook de grote erupties plaats die de alkaligesteenten opleverden. Het vulkanisme is in drie fasen op te delen:

·         tijdens de eerste fase spleeterupties met uitvloeiing van basalt en rhombenporfier, waarvan als grootste stroom de eerste over een oppervlak van 1000 km² en een dikte van 100 m;

·         de tweede fase wordt gekenmerkt door centrale erupties, waarbij de ronde structuren ontstonden die op de kaart zo opvallen, en basaltgesteenten uitvloeiden;

·         in de derde fase traden weer spleeterupties op die basalt en rhombenporfier opleverden.

 

Naast deze aan de oppervlakte uittredende vulkanieten ontstonden er tijdens deze fasen ook diepte- en ganggesteenten waarvan, door de latere erosie, thans grote oppervlakken blootliggen. Thans zien we de volgende verdeling:

 

Gabbro en Oslo-essexiet (diepte)

Kjelsåsiet (diepte)                                                  
Larvikiet (diepte)                                 

Lardaliet en Foyaiet (diepte en gang)

Nordmarkiet (diepte)
Ekeriet (diepte)

Drammen-graniet (diepte)

Basalt (uitvloeiing)

Rhombenporfier (gang en uitvloeiing)
Trachiet, rhyoliet (uitvloeiing)

15

200

1705

65

1400

820

840

220

1160

55

km²

km²

km²

km²

km²

km²

km²

km²

km²

km²

De lezer heeft hiermee meteen enig idee over de relatieve graad van algemeenheid van de zwerfstenen welke hieronder zullen worden opgesomd.

Dieptegesteenten

Drammen-graniet vormt enkele grote plutonen in het Oslogebied; dat van Drammen bezit een lengte van 55 km; is doorsneden door tal van aplietische gangen en heeft in de randfacies een graniet-porfier-structuur. Het is een biotiet-alkali-graniet met grote rectangulaire (rechthoekige) tabletten van homogene alkaliveldspaat (oligoklaas), benevens wat plagioklaas en heldere tot grijze kwarts. Drammengraniet is roserood, soms ook gelig; het wordt in grote groeven geëxploiteerd en zelfs uitgevoerd. Weinig vondsten van zwerfstenen: een van Wezep in het Geologisch Instituut te Utrecht, een van Drouwenerzand in dat te Groningen. Een detailopname biedt foto 46.

Drammen-rapakivi heeft dezelfde bestanddelen als de graniet, is een porfierisch gesteente waarin de oligoklazen min of meer rond zijn en een zonaire bouw vertonen. Huizinga (1969) trof reeds vijf zwerfstenen ervan in Werpeloh aan, waar hij vrijwel alle gesteentetypen uit het Oslogebied in zwerfsteenvorm vond; in Nederland nog niet herkend. Voor Drammen-pyterliet, met kransen
van ronde kwartsen om de veldspaten geldt hetzelfde.

Aegirien-graniet is een alkali-graniet als die van Drammen, maar bevat prachtige donkergroene naalden en zuiltjes van aegirien (in plaats van biotiet) die fraai uitkomen in het overigens geelwitte gesteente, dat midden- tot fijnkorrelig is. Een vondst van Huizinga te Noordbroek, liggende in het Geologisch Instituut te Groningen.

Ekeriet werd door Brögger (1906) oorspronkelijk met de naam natron-graniet aangeduid; pas later verving hij deze te algemene betiteling, waarbij Ekern peet stond. In principe is dit een aegirien-allcaligraniet; macroscopisch is er weinig verschil met nordmarkiet, alleen is het kwartsgehalte hoger (tussen 10 en 30%) dan van laatstgenoemde alkali-syeniet. In het veld is de grens tussen beide niet scherp en ook in ekeriet vinden we de miarolietische holten. Het zijn bleke gesteenten met maar enkele groenzwarte aegirienspikkels, meestal oranjerose tot bleekrood.
Een vondst van ekeriet in Werpeloh (Veenstra en Huizinga, 1964) opende de ogen voor Nederlandse ekerietzwerfstenen; er zijn er de laatste negen jaren tientallen van bekend geworden. Daaronder is ook astrophylliet-ekeriet, met lichtgele pakketjes van dit glimmerachtig splijtende zirkoonsilikaat. Foto 47 toont een meer gangbaar type.

Nordmarkiet (naar Nordmarka, de noordhelft van het Oslogebied) bestaat voor 90% uit alkali-veldspaat (microperthietische vergroeiing van orthoklaas en albiet), zijn daarom licht van kleur: fijnkorrelige typen rossig, grovere grijs. Voor het overige is meestal wat kwarts aanwezig, en verder wat donker mineraal waar naar de nordmarkieten nog worden uitgesplitst in hoornblende-nordmarkiet, augiet-nordmarkiet (met de groenige aegirien) of biotiet-nordmarkiet (dan ontbreekt aegirien ten enenmale). De naam pulaskiet werd wel (ten onrechte) op kwartsvrije nordmarkiet toegepast. Nordmarkiet gaat (bij aegiriengehalte) over in ekeriet, en (bij biotietgehalte) in Drammen-graniet. Een doorsneetype zien we op foto 48.
De soms nog heel frisse zwerfstenen van alkali-syeniet bezitten als merk- waardigheid bijzonder fraaie miarolietische holten, waarin tal van mineralen prachtig idiomorf te vinden zijn (foto 49). Als erraticum wordt nordmarkiet geregeld aangetroffen, niet minder dan larvikiet, en evenals deze in allerlei variaties.

Larvikiet of Laurvikiet (naar Laurvik, nu Larvik) is gemakkelijk voor een ieder in onverweerde toestand te bezien bij de steenhouwer (onder de benaming labrador) of aan winkelpuien; het is een mooi volkristallijn gesteente met veldspaten die een blauw-parelmoerige glans vertonen. Men ziet de zonaire bouw van de alkali-veldspaat (orthoklaas en albiet) op de slijpvlakken fraai uitkomen; voorts bevat het gesteente oligoklaas. Andesien, rijkelijk voorhanden in Kjelsåsiet, is schaars in larvikiet. Daartussen vinden we de donkere mineralen augiet, bronziet, olivijn, biotiet; daarnaast spoortjes apatiet en magnetiet; tenslotte soms kleine hoeveelheden kwarts of nefelien. In de handel ziet men vrijwel alleen blauwgrijze larvikiet; maar door ijzeroxyden roodgekleurde larvikiet (tönsbergiet) komt ook voor. Verder kan het blauwgrijs licht of donker zijn, ook wel wat groenig worden.
De zwerfstenen zijn aan de buitenkant vaak wittig verweerd door de veldspaatrijkdom; de donkere mineralen vormen uitsteeksels, en de nefelien is totaal wegverweerd, waardoor putjes in het oppervlak verschijnen. Foto 50 laat er wat van zien. Kleine zwerfstenen zijn bij doorslag vaak lichtgrijs, door de verwering. Op een breukvlak kan men door de steen nat te maken het labradoriseren nog tevoorschijn roepen. Het aantal vondsten van deze gemakkelijk herkenbare alkali-monzoniet loopt in de honderdtallen; algemeen zijn larvikieten nergens. Allerlei variëteiten, zoals fijnkorrelige, en roodgevlekte larvikiet van Nagestad, zijn ook reeds aangetroffen.

Lardaliet (of Laurdaliet) komt op onze aarde uitsluitend bij Oslo voor. Oftedahl (1948) karakteriseert het als nefelien-larvikiet. Van larvikiet verschilt het door het ontbreken van het labradoriseren in de rhombische veldspaten (antiperthiet met albiet als gastveldspaat) en door het nefeliengehalte waarmee de snelle verwering en het gaterig verweringsoppervlak worden verklaard. Als donkere mineralen treden lepidomelaan en pyroxeen op. Op het verse breukviak is de kleur dof blauwgrijs, de verweringskorst is wittig. Enige vondsten waaronder een blok van 21 kg, door Volles bij Beets (Fr.) aangetroffen in keileem en vrijwel onverweerd.

Akeriet (naar Aker benoemd) komt in samenstelling ongeveer overeen met larvikiet en kjelsåsiet, maar valt op doordat het rectangulaire plagioklazen bevat met een manteling van alkali-veldspaat. Hieraan zijn de akerieten macroscopisch wel te herkennen, vooral wanneer de alkali-veldspaat lichter getint is dan de plagioklaas; maar als type blijven ze zonder slijpplaatjes moeilijk te plaatsen. Enkele vondsten van Drenthe en de Veluwe.

Kjelsåsiet (naar Kjelsås, westelijk van Oslo) zou men granodiorietisch kunnen noemen, aangezien er enige kwarts in voorkomt, plagioklaas en alkali-veldspaat in variabele verhouding en ca. 20% donker mineraal (augiet, hyperstheen, iets olivijn) in grofkorrelige mengeling. Porfierische typen met grote veldspaattabletten komen voor. De alkali-veldspaat is vaak zonair. De stenen zijn donker van kleur. Door Huizinga werden enkele zwerfstukken uit Werpeloh/ Hümmling, vlak over de Duitse grens, herkend; in Nederland nog niet aangetroffen.

Oslo-essexiet is een door Barth (1944) voorgestelde groepsnaam voor allerlei basische gesteenten van variabele samenstelling uit het Oslo-gebied, waarvoor eerder ten onrechte de naam essexiet (naar Essex bij Boston, USA) was ingeburgerd. Er schuilen onder gabbro’s (al dan niet met olivijn), diorieten, zelfs syeno-diorieten, geen van alle nefelien bevattend, zoals echte essexiet. Een groep waarmee de amateur niet veel beginnen kan, temeer omdat de fijnkorrelige typen macroscopisch nauwelijks aanknopingspunten voor determinatie opleveren en er verwarring dreigt met stenen uit Zweden en Finland.

Ganggesteenten

In het Oslo-gebied treffen we tal van ganggesteenten van uiteenlopende aard aan; meestal gaat het om zeer kleine voorkomens, zodat we zwerfstenen uit deze groep maar zeer zelden zullen aantreffen. Pegmatieten uit het alkaligebied zijn nog in`t geheel niet gevonden, wel kwamen enige zwerfstenen van aplietische aard (die veel gemakkelijker transport doorstaan) in handen van de verzamelaars.

Drammen-graniet-apliet is door kwartsrijkdom en biotietgehalte te onderscheiden van beide volgende; is als ader van lichtrose kleur in enkele zwerfstenen uit de Hümmling, collectie Huizinga, aanwezig.

Ekeriet-apliet met aegirien en kwarts, eveneens lichtkleurige zwerfstenen uit de Hümmling, maar nog niet uit Nederland.

Lestiwariet kan ook nordmarkiet-apliet genoemd worden; kwarts is in kleine hoeveelheid aanwezig, verder zijn riebeckiet en aegirien als zwarte puntjes in het rose tot sneeuwwitte gesteente te vinden. Genoemd naar Lestiware in Rusland, komt het op vele plaatsen in het Oslogebied voor; vandaar enkele vondsten in Nederland.

Porfirische vormen van de alkali-dieptegesteenten zijn (met enkele andere ganggesteenten) in vrij grote variatie ontwikkeld (zie ook foto 57).

Drammen-graniet porfier is rose tot lichtrood; in de fijnkorrelige grondmassa zweven overwegend zonaire rectangulaire veldspaten, soms vertweelingd en lichtrose. Wel in de Hümmling door Huizinga gevonden; nog niet in Nederland. Als Drammen-granofier wordt een variant betiteld met micropegmatietstructuren om de veelal rondachtige veldspaten heen, geheel als in Åland-granofier. Te Sibculo, Schoonlo en Noordbroek werden in het grind er zwerf- steentjes van gevonden.

Grorudiet (naar Grorud, 10 km N.O. van Oslo) is aegirien-graniet-porfier, een dicht groen gesteente met veldspaateerstelingen van witte tot rose kleur. De groenige grondmassa wordt door prachtig glinsterende aegirienkristalletjes, enkele millimeters lang, gekleurd. Er zijn enkele zwerfstenen vanuit Nederland bekend.

Sölvsbergiet is kwartsarme aegirien-graniet-porfier. De kleur is groengrijs, het gesteente doet aan als kwartsiet, wanneer men toevallig een steentje heeft waarin de nog al schaarse veldspaateerstelingen mankeren. Fluïdale texturen (‘gelaagdheid’) treedt gewoonlijk op. Enkele vondsten.

Ekeriet-porfier bevat mooie zonaire veldspaateerstelingen, verschilt verder weinig van voorgaande gesteenten. Door Huizinga reeds in de Hümmling gevonden; nog niet in Nederland.

Nordmarkiet-porfier is een echte alkali-trachiet. Kenmerkend zijn rectangulaire veldspaten, tot 1 cm groot en zonair gebouwd in een fijnkorrelige tot dichte grondmassa. De kleur varieert van lichtgrijs tot donkerrood, net als bij nordmarkiet zelf. In Nederland slechts drie vondsten, in de Hümmling tientallen, waaronder Huizinga enkele stenen met sferolieten herkende, blijkbaar keratofierische typen, door omzetting in de grondmassa ontstaan.

Nordmarkiet-rhombenporfier lijkt niet veel op voorgaande, aangezien de eerstelingen ruitvormig op doorsnede zijn, rhomben aan het oppervlak van zwerfstenen tonen. Deze grijze plagioklazen liggen in de zwart-rood-grijs gekorrelde nordmarkiet-grondmassa, zodat de steen nog al bont eruit ziet. In Nederland zijn reeds vondsten bekend van Noordbroek, Kostvlies en Tinaarlo.

Hedrumiet is een ganggesteente dat een overgang vormt tussen Nordmarkiet en Foyaiet (zie onder), trachietisch van structuur door opeenstapeling van grote veldspaattabletten met daartussen donkere mineralen (Lepidomelaan, pyroxeen, etc.) en enkele gemakkelijk verwerende nefelien-aggregaatjes. Het grijsrose gesteente krijgt hierdoor een gespikkeld aanzien. Slechts enkele Nederlandse vondsten.

Foyaiet (naar Foya, Portugal) heeft een eveneens opvallende trachietische structuur waardoor het kwartsloze gesteente direct opvalt. De ruimte tussen de veldspaten wordt door donker mineraal opgevuld (aegirien, lepidomelaan, etc.) maar het gesteente is zeer licht van kleur door de veldspaat-rijkdom. Nefelien is aanwezig en veroorzaakt holten bij verwering. Verwarring met grove diabaas is mogelijk, maar diabaas is zwaarder. Verscheidene vondsten zijn uit Nederland van dit aantrekkelijke gesteente bekend. Echter nog niet van biotiet-foyaiet met blauwgrijze, grote nefelien-kristallen, zgn. ditroiet, welke door Huizinga reeds in de Hümmling werd aangetroffen.

Camptoniet is een zwart gesteente met eerstelingen van hoornblende met pyroxeen, als lamprofier moeilijk van basalt te onderscheiden. Ze komen ook in Finland voor. Enkele vondsten.

Uitvloeiingsgesteenten

Drammen-rhyoliet, een kwarts-porfier uit de omgeving van Drammen heeft een donkergrauwe tot bruinige grondmassa met mooie rose veldspaat-fenokristen (tot 5 mm) en donkere, veelal gecorrodeerde kwartsen. Op het breukvlak gaat de breuk langs, niet door de eerstelingen. Het ignimbrietisch karakter van deze alkali-rhyolieten spreekt mede uit de slierige vulkanische insluitsels. Het nog al opvallende gesteente is in Noordbroek gevonden.

Rhombenporfier behoort tot onze allermooiste zwerfstenen; hoewel het schaars is kan toch ieder met wat moeite het genoegen ondervinden zo’n prachtig gesteente met grote ruitvormige eerstelingen (zie Fig. 90) zelf op te rapen.

 

 

 

90. Rhombenporfier, naar zwerfstenen van Maarn en Soesterberg.

Op maar enkele plekken ter aarde wordt rhombenporfier aangetroffen. De naam werd reeds in 1810 door Von Buch gegeven (rhombos = ruit) maar het is niet zo dat alle rhombenporfieren zulke fenokristen vertonen. Welhaast iedere van de 26 rhombenporfierstromen in het Oslogebied heeft zijn eigen voorkomen, en er zijn er verscheidene die zo onaanzienlijk zijn dat ze moeilijk als zodanig herkend kunnen worden. Eén stroom, in Noorwegen rektangelporfier genaamd, heeft rechthoekige veldspaattabletten. De eerstelingen zijn zonair gebouwd (soms mooi aan insluitsels te zien!) en hebben een gecompliceerd verleden dat al veel discussie onder mineralogen heeft teweeggebracht. Volgens Harnik (1969) bestaan ze uit anorthoklaas, zoals Rosenbusch (1908) reeds stelde. Bij rektangelporfier hebben ze een relatief hoog anorthietgehalte. Door metamorfose worden de eerstelingen soms zwart.
De eerstelingen liggen meestal georiënteerd in de grondmassa die allerlei kleur kan hebben, meestal aan de donkere kant is. De oriëntatie houdt ongetwijfeld verband met de ontstaansgeschiedenis. Daarover zijn de geleerden het nog niet eens; sommige spreken van ignimbrieten, andere van gewone lavastromen. Voor een ignimbrietachtige ontstaanswijze zou kunnen pleiten dat men bovenin rhombenporfierstromen wel eens agglomeraatlava aantreft, (vergelijk Fig. 52), roodgekleurde luchtig aaneengekitte rhombenporfierbrokjes.
In keileem komen rhombenporfieren zeldzaam voor; de grootste tot nog toe gevondene ligt in het museum op Schokland, en heeft een diameter van 70 cm. Wat meer komen ze voor in het oudere grind, van Oost-Groningen en de Hondsrug, zijn dan veel sterker verweerd, waarbij de veldspaten als diepe putten in het oppervlak verschijnen. Nauwelijks verweerd zijn de vele rhombenporfieren in de oude zeeweringen en in de bestrating van oude havenstadjes; maar dat zijn ballaststenen uit schepen, import uit Denemarken vooral.

Basalt vloeide telkens met de rhombenporfieren tegelijk uit. Waar dikke pakketten langzaam stolden, kristalliseerden nog zulke grote plagioklaas-kristallen uit dat er een duidelijke ophietische structuur ontstond. Zulke gesteenten zullen dus als diabaas betiteld worden. Naast dichte basalten zonder eerstelingen komen ook porfirische typen voor. Die met eerstelingen van augiet en plagioklaas bevatten nog al eens iets orthoklaas en kunnen trachy-basalt worden genoemd. Voor wat ons zwerfstenenbereik betreft, kunnen ook andere herkomstgebieden in aanmerking komen. Het zijn dus geen specifieke Oslo- gesteenten. Evenmin is dat basalt met tot 2 cm lange veldspaten in de dichte grondmassa, welke essexiet-porfiriet en/of labradoriet-porfiriet werd genoemd. Wel tot het Oslogebied beperkt zijn basalten met zeer opvallende groene titaan-augiet in een ophietische grondmassa. Vroeger heetten deze gesteenten essexiet-melanfier of augiet-porfiriet. Soms bevatten ze amandelen. Deze titaan-augiet-basalten werden door Huizinga reeds in de Hümmling verzameld; uit Nederland zijn ze nog niet gemeld.

Zweedse alkaligesteenten

Slechts enkele verspreid liggende kleine voorkomens zijn er uit Zweden bekend. Als zwerfsteen zijn deze gesteenten zeer zeldzaam, verscheidene typen werden ten onzent nog niet gevonden. Dat geldt voor de umptekiet en canadiet van Almunge (oostelijk van Upsala) zowel als de urtiet, melteigiet en ijoliet van Alnö (bij Sundsvall, dus nog al noordelijk).

Grennaiet is een grijsgroen, hard, dicht of fijnkorrelig gesteente met een porfierische structuur door de aanwezigheid van tot 4 cm grote hoekige lijstvormige meestal bruinig of gelig witte kristallen van het zirkoonsilikaat katapleiet. Op een breukvlak zien ze er als strohaksel uit, in de groenige grondmassa uitgestrooid. Ze zijn op foto 52 duidelijk te zien. Als insluitsel komen ook veldspaat, nefelien en aegirien voor. Vier vondsten in Nederland, van grennaiet uit een intrusie van ongeveer één kilometer doorsnee, nog aanwezig bij Visingö op de grens tussen Smaland en Östergötland.

Särnaiet is eveneens porfierisch van structuur. In een dichte grijsgroene grond- massa bevinden zich talrijke bleekrose tot witte kristalletjes van cancriniet (een nefelienachtig mineraal) naast mooie tot 2 cm lange, zwartgroene aegiriennaalden (veel groter dan in grorudiet). Herkomst van Särna in Dalarne, en in verscheidene vondsten bekend, vooral uit Midden-Nederland waar het keileem veel Dalarne-zwerfstenen bevat. Tinguaiet-gangen, groen door het hoge aegiriengehalte en nefelien bevattend naast veldspaat komen er ook voor, zulke gangen werden door Brögger ook bij Hedrum in ‘t Oslogebied ontdekt. Uit het laatste gebied stammen vermoedelijk enkele vondsten in de Hümmling door Huizinga.

Alkaligesteenten uit het Rijnland

Alleen in Zuid-Limburg in de puinwaaier van uitsluitend de Maas gelegen, kan de zwerfstenenverzamelaar geen alkaligesteenten vinden. In Midden-Nederland bestaat daarop een miniem kansje, doordat zulke gesteenten in het vulkaangebied aan de beneden-Rijn wel voorkomen.

Phonoliet is een uitvloeiingsgesteente dat grotendeels uit orthoklaas bestaat en voorts nefelien, leuciet, alkalipyroxeen en amfibool kan bevatten. Als zwerf- steen zijn het grijze gesteenten, plat van vorm, met aan ‘t oppervlak balkjesachtige indrukken (sanidien) en! of rondachtige putjes (nefelien). Enkele vondsten bij Arnhem en in de Bijland.

Alkalibasalten zijn aan de Rijn niet zeldzaam; ze kunnen echter alleen met behulp van slijpplaatjes worden herkend.