HOOFDSTUK VII

Afzettingsgesteenten

In hoofdstuk V werd reeds een overzicht gegeven van de afzettingsgesteenten. Het totaal getal van die gesteenten is groter dan daarin vermeld. Het is, aan het begin van dit hoofdstuk het beste, om alle soorten nog eens op een rijtje te zetten alvorens elk gesteente afzonderlijk te behandelen.
We kunnen twee grote groepen onderscheiden, al naar gelang het over echte in lagen voorkomende gesteenten gaat (de meeste behoren tot de klastische sedimenten) dan wel dat we met meer pleksgewijze ontstane verkiezelingen, secreties en concreties te doen hebben. Tot de eerste groep behoren: zand (eventueel met grind), zandsteen, kwartsiet, arkose, groenzand, limonietzandsteen, grauwacke, conglomeraat, breccie, tuf, klei, schalie, leisteen, kiezellei, mergel, kalkstenen, dolomiet, turf, ligniet, steenkool. Tot de tweede groep worden gebracht: ijzeroer, klappersteen, fosforiet, ftaniet, vuursteen, kiezeloöliet, overige verkiezelingen, ijzerkiezel, achaat, witte kiezel.

Zand, zandsteen en kwartsiet

Los zand is voor de geoloog ook een gesteente, al kunnen we er geen handstukken van slaan. Wie er wat aandacht aan besteedt ziet al spoedig verschillen. Zo bestaat het strand- en duinzand bezuiden Bergen uit gelige, tamelijk grove en afgeronde korrels; ten noorden van die plaats is het wat fijnkorreliger en witter van kleur. Zand uit onze grote rivieren alsmede zand van de oudere pleistocene rivierafzettingen in de hoge helft van ons land is lang zo afgerond niet, bevat kleine korrels maar ook wel grindjes en is vaak bont onder de loupe, doordat het uit veel verschillende gesteente- en mineraalbrokjes bestaat. Zand uit het jongtertiair (hier en daar aan de oppervlakte langs de Hondsrug en in Oost-Groningen, maar vooral in Zuid-Limburg) daarentegen bestaat vrijwel geheel uit kwarts en kan spierwit zijn, wordt dan als ‘zilverzand’ voor de glas- fabricage weggegraven. Wie dit laatste zand onder de loupe neemt ziet dat dit uitermate hoekig is; zó hoekig als het nooit zou kunnen worden door verbrokkeling van het mineraal kwarts. Nu blijken er in het zilverzand banken voor te komen van dusgenaamde Nivelsteiner zandsteen, lagen waarin de kwartskorrels door kiezel zijn aaneengekit. Blijkbaar heeft er enerzijds oplossing van kiezel plaatsgevonden, waarbij de zandkorrels als het ware zijn geëtst en waardoor ze zulke extreem hoekige vormen verkregen. Anderzijds is het kiezel in bepaalde lagen weer afgezet, en door deze afzetting trad cementatie van de kwartskorrels op.

In Midden-Nederland treden in de pleistocene zanden vergelijkbare verschijnselen op; alleen zien we daar geen spoor van aantasting van de kwartskorrels. Hier echter zijn alle kalksteenkorrels totaal verdwenen — eveneens door oplossing. Wanneer nu de kalk elders weer neerslaat ontstaan er in de zandlagen zeer grillig gevormde zandsteengroepen, waarvan het gesteente bestaat uit het oorspronkelijke zand waartussen alle poriën opgevuld zijn met kalkmaterie. Aangezien het poriënvolume van los zand vrij hoog kan zijn loopt het kalkgehalte op tot wel 40%. Bij graverijen op de Trompenberg bij Hilversum zijn in 1856 zulke lichamen aan de dag gekomen, die als ‘Germaanse afgodsbeelden’ werden gepubliceerd! Bijna een. eeuw later zijn weer grote massa’s van deze plaatseigen zandsteen blootgegraven in het Bikberger bos, tussen Bussum en Huizen; ze zijn er nog te zien.
Treedt nu dusdanige verkitting op dat de breuk van het gesteente niet meer langs, maar dwars door de zandkorrels plaatsvindt (zie Fig. 91) dan spreekt men van kwartsiet.

 

91. Breuk in zandsteen (langs de korrels) en kwartsiet (dwars er doorheen). Sterk vergroot.

Aangezien kiezel een veel steviger bindmiddel is dan kalk (of wat ook wel voorkomt, veldspaat) zijn de meeste kwartsieten opgebouwd uit kwartskorrels in een dicht kwartskit. Een deel van de kwartsieten moet tot de metamorfe gesteenten worden gerekend. Dat zijn b.v. gesteenten welke ontstaan doordat de kwartskorrels van een zandlaag onder zo hoge druk en temperatuur hebben verkeerd dat ze ineengeperst en versmolten zijn. Niet zelden vinden we zandlagen die voor een deel tot zandsteen zijn omgezet, of zandstenen welke gedeeltelijk tot kwartsiet zijn geworden. De grenzen zijn dus allesbehalve scherp en het komt de bewerker als het beste voor om de verschillende categorieën door elkaar heen te behandelen. Aangezien gesteenten van eenzelfde aard en ouderdom op verschillende plaatsen voor kunnen komen, zullen de verschillende zandsteensoorten naar ouderdom de revue passeren.

Dalazandsteen. Een meestal paarsrose tot violette zandsteen, ook wel geelachtig, grijs en steenrood; vaak met ronde gele vlekken en bijna altijd goed gelaagd, waardoor de zwerfstenen veel als platte stukken voorkomen. Niet zelden bevat dalazandsteen afgerolde brokken veldspaat, welke wit verweren; glimmer ziet men niet veel in dit gesteente, dat door de prehistorische mens in Nederland wel als bodembekleding van grafkamers in hunebedden is gebruikt. Fossielen komen in dit gesteente niet voor — het is precambrisch, en mogelijk 1700 miljoen jaar oud. In fijnkorrelige, meestal rose-rode variëteiten vindt men wel eens golfribbels geconserveerd (zie foto 53); zulke vrij zeldzame stukken zijn wel als golfzandsteen onderscheiden. Aangezien golfsporen in vele zandsteenformaties voorkomen en de rose-rode kleuring ook, kan men zulke stukken niet met voldoende zekerheid plaatsen. Evenmin is dit het geval met de chiasmazandsteen. Hier ziet men de oorspronkelijke afzettingsgelaagdheid, in bruinviolet doorkruist door eerst na de afzetting ontstane ijzerbandjes. Zodoende krijgt men ‘kruisende lagen’ (chiasma = kruising) voorgespiegeld. Fig. 92 toont het verschil tussen echte kriskrasgelaagdheid en deze eigenaardige structuur; foto 54 toont een fraai specimen.

pict2.jpg

 

 

 

92. Links kriskrasgelaagdheid, rechts chiasma in zandsteen.

De naam Dalazandsteen suggereert een herkomst van de (soms kwartsietische) zwerfkeien uit het Precambrium van Dalarna. Alhoewel het gesteente daar over grote oppervlakten ontsloten is, leert een blik op het kaartje (Fig. 93) dat er andere gebieden zijn waar het nog als vaste rots voorkomt. Bovendien zijn er in het Cambrium van het Oostzeegebied óók lagen van rode en paarsige zandsteen present. Hoewel de grote massa van dit in de Noordhelft van Nederland zeer algemene gesteente wel precambrisch zal zijn, hoeft dit niet steeds het geval te zijn.

 

pict3.jpg

93. Herkomst en transport van de dalazandstenen: horizontaal gestreept de voorkomens als vaste rots, zwarte schijven het procentueel aandeel in de morene, lijntjes de richting van de gletsjerkrassen (achtergelaten door de transporterende gletsjers). Naar Lundqvist, 1957.


 

 

 

94. Tijgerzandstenen, naar erratica van Oldebroek en Drouwen.

 

49. Miarolietische holte in Nordmarkiet (Zwerfsteen van Werpeloh). vergroting van een 4 cm lang oppervlakje aan een fijnkorrelige alkalisyeniet uit de buurt van Oslo; in de holte fraaie veldspaatkristalletjes. Collectie-Huizinga.

50. Larvikiet (Zwerfsteen van Amersfoort). De meeste voorkomende alkalisyeniet uit het Perm van het Oslogebied, toch als zwerfsteen niet algemeen. Grijze veldspaat en groenzwarte augiet vormen de hoofd bestanddelen.

 

51. Kawaiet (Zwerfsteen van Borne). De lange hoornblendenaalden verlenen dit zeldzame zwerfsteentype een prachtig uiterlijk. Uit het Oslogebied. Vondst Van der Lijn, collectie Museum Schokland.

52. Grennaiet (Zwerfsteen uit de Noordoostpolder). Witte katapleiet steekt duidelijk af tegen de groenig zwarte grondmassa. Als zwerfsteen een curiositeit, daar het voorkomen bij Visingö aan het Wettermeer maar een kilometer doorsnee heeft. Vondst Van der Lijn; collectie Museum Schokland.

 

53. Zandsteen met golfribbels (Zwerfsteen van Groningen). Een zwerfblok van paars-rode zandsteen, vermoedelijk uit het praecambrium van Midden-Zweden. Collectie Geologisch Instituut Groningen.

54. Chiasmazandsteen (Zwerfsteen van Vollenhove). Infiltratiebandjes doorsnijden de afzettingsgelaagdheid zodat ‘t lijkt alsof twee gelaagdheden elkaar doorkruisen. Zeldzaam erraticum uit Zweden. Collectie Geologisch Instituut Groningen.

 

55. Skolithoszandstenen (Zwerfstenen v.l.n.r. van Opeinde, Amersfoort en Schoonlo). Een interessant sporenfossiel uit het Cambrium van het Kalmar Sont; links met alleenstaande buizen, midden en rechts met aaneengrenzende.

56. Toermalijnarkose (Zwerfsteen van Amersfoort). Wit zien we de veldspaten, grijzig de kwarts, zwart de toermalijn in dit sediment uit het Devoon langs de Frans-Belgische Maas. Breedte van ‘t object 11 cm; vondst Van der Lijn, collectie Geologisch Instituut Amsterdam.

Skolithoszandsteen. Dit is een middelkorrelige zandsteen, soms wittig, meestal lichtgeel tot bruin, ook wel paarsig of roodachtig. Kenmerkend zijn de lood- recht op de gelaagdheid staande sporen die Skolithos worden genoemd (zie bij de fossiele levenssporen, in hoofdstuk X). Wie in de gelegenheid is het Kalmar Sont tussen Oeland en het vasteland van Zweden te bezoeken zal langs de stranden duizenden en duizenden zwerfstenen van dit zeer fraaie en interessante cambrische gesteente aantreffen. Uit dat gebied moeten ook de in onze Noordelijke provinciën niet zeldzame skolithoszandstenen afkomstig zijn. Wie veel geluk heeft vindt een kei die voor een deel uit normale zandsteen bestaat, maar waar bepaalde lagen Skolithos bevatten. Bonnema wees er reeds op dat het chiasma-verschijnsel ook bij skolithoszandstenen voorkomt en dat een deel daarvan dus cambrisch moet zijn. Enkele skolithoszandstenen zijn op foto 55 afgebeeld.

Sporenzandsteen. Onder deze benaming vatten we een aantal typische witte goedgelaagde zandsteensoorten samen die alle afkomstig zijn uit het zandsteendek dat ligt op de precambrische gesteenten van het Oostzeegebied en uit het Onder-Cambrium dateert. Wie het materiaal prachtig ontsloten wil zien moet naar Hardeberga in Schonen gaan waar in een reusachtige steengroeve tientallen meters dikke lagen witte fijnkorrelige zandsteen ontgonnen worden. Van deze zgn. Hardeberga-zandsteen vallen de zwerfstenen alleen dan te herkennen als er de interessante sporen Monocraterion, Diplocraterion of Plagiogmus in voorkomen. Helaas zijn die zwerfstenen niet heel algemeen; men vindt nog het meest sporenzandstenen met eerstgenoemd levensspoor en dan alleen in het gedeelte van Nederland dat glaciale zwerfstenen ontving, in het gebied dus ten Noorden van de lijn Vogelenzang-Mook.

Tijgerzandsteen is een bijzonder fraaie zand- steen, uit dezelfde lagen als de sporenzandsteen; zonder fossielen maar met een kenmerkend uiterlijk, aangezien de lichtgele tot witte zand- steen talloze donkerbruin-zwarte concreties van ijzerhydroxyden bevat. Op doorsnee zien we die oxyden als ringen, waardoor een luipaardvelachtige tekening ontstaat. Een zeldzaamheid.

Hyolitheszandsteen behoort tot dezelfde zandsteenfamilie en moet worden afgeleid uit de bovenste lagen van de ondercambrische zandsteenformatie. De zandsteen is veelal wat grauwiger dan de sporenzandsteen, en is te herkennen aan de vele afdrukken van Hyolithes, een raadselachtig fossiel dat er uitziet als een tamelijk groot en hoekig taps toelopend kokertje. Niet zelden zijn deze kokertjes evenwijdig gericht; als vaantjes wijzen ze de stromingsrichting van de wateren der cambrische zeeën in Schonen aan. Zwerfstenen ervan zijn niet algemeen; in totaal een dertigtal vondsten, uit de Noordelijke provinciën.

Strenuellazandsteen is in 1903 door Bonnema van Vries beschreven; een geelgrijze zandsteen met resten van de trilobiet Strenuella. Eveneens Paradoxides-zandsteen, waarvan vier zwerfstenenvondsten met typerende trilobieten uit Noord-Nederland bekend zijn, een midden-cambrisch gesteente afkomstig uit het gebied tussen Oeland en Schonen. Discinella-zandsteen wordt gekarakteriseerd door de fosfatische schelpjes van de brachiopode Discinella; vormt de grens tussen Cambrium en Ordovicium in Estland en werd tweemaal in Drenthe gevonden. Vroeger noemde men dit gesteente Oboluszandsteen.

Revinienkwartsiet. Dit gesteente ontleent zijn naam aan het tijdvak waarin het is afgezet. Revin (zie kaartje Fig. 95) is een in Frankrijk aan de Maas gelegen dorp, waar de donkerblauwgrijze kwartsieten ontsloten zijn. Door chitinozoënvondsten weten we thans dat het Revinien ongeveer op de grens van het Cambrium en het Ordovicium moet worden gedateerd. Overigens komen er vrijwel geen fossielen in voor, zodat we het uit fijne zandkorrels opgebouwde gesteente moeten herkennen aan de steeds daarin aanwezige pyrietkuben. Buiten aan een zwerfsteen zien we daarvan alleen de afdrukken (Fig. 2); slaan we de kei met een hamer door, dan vinden we in de onverweerde kern nog goudglanzende kubische pyriet, en in de verweerde korst zien we de vierkantige holten opgevuld met limoniet. Vaak komen er adertjes van witte kiezel in de stenen voor; soms vertonen deze twee generaties van kwartsopvulling, hetwelk in verband kan worden gebracht met het feit dat de Revinlagen tweemaal intensief zijn geplooid (tegen het einde van het Siluur en aan de grens Carboon-Perm). Sommige stukken bevatten veel sericiet, ook een teken van lichte metamorfose.

Revinienkwartsiet komt voor in de oude massieven van Franse en Belgische Ardennen, alsmede in het Hohe Venn (zie ook Fig. 95). Uit het laatste gebied kan maar weinig zwerfsteenmateriaal zijn gekomen, zodat we de direct aan de Maas gelegen massieven wel als herkomstgebied mogen aanmerken. Lang niet alle kwartsietlagen uit het Revinien bevatten ook pyriet; we blijven over de talrijke zwerfstenen van blauwgrijze kwartsiet voor wat herkomst en ouderdom aangaat in het onzekere. Gelukkig is revinienkwartsiet in het zuiden en midden van het land een heel gewone zwerfsteen, zodat ieder zonder moeite dit interessante gesteente kan leren kennen.
Opgemerkt dient dat blauwgrijze kleur en pyrietgehalte uiteraard geen monopolie is van de revinienkwartsieten; in het noorden van ons land treffen we tussen het grind sporadisch ook wel eens zwartgrijze kwartsieten met grote pyrietkuben aan. Dit zwerfsteentype is zeldzaam; het bevat geen sericiet, noch kwartsadertjes en moet wellicht uit de Jura van Midden-Duitsland worden afgeleid.

Toermalijnarkose is een bijzonder typisch en fraai gesteente (zie foto 56). Het heeft een typisch gespikkeld uiterlijk; de lichte kleuren overwegen omdat de veldspaat Wit verweerd is en de kwartskorrels talrijk zijn. Scherp tekenen zich daarop de roetzwarte brokjes van toermalijnkristallen af. Deze arkose vinden we als onderdevonische omzoming van de cambrosilurische massieven van Rocroi en Stavelot. Fourmarier (1934) beschouwde ze als afbraakproducten van thans verdwenen caledonische granietmassieven. Verwarring met de in het volgende te bespreken zandsteen met steenkoolbrokjes is niet uitgesloten; doch de toermalijn is zeer veel harder dan de zachte steenkoolbrokjes.

Taunuskwartsiet is de naam die gegeven wordt aan grijs- of geelwitte kwartsieten met wijnrode vlekken. Een zwerfsteentype dat in Zuid- en Midden-Nederland heel gewoon is en dat in het Onder-Devoon van de Taunus, maar ook in de Hunsrück en de Ardennen veel voorkomt. Zowel Maas als Rijn hebben dus keien ten onzent aangevoerd. Oostingh (1921) vond in een dergelijke zwerfsteen van Smeermaes een Spiriferafdruk; dat is een uitzondering, dit type erratica bevat vrijwel nimmer een fossiel.

 

 

97. Acrospirifer uit spiriferenzandsteen, Amersfoort.

 

 

 pict1.jpg

95. Oriënteringskaart van het Maasstroomgebied.

Spiriferenzandsteen is een meestal opvallend fijnkorrelig gesteente uit het Onder-Devoon, geelbruin tot grijzig van kleur, en gekenmerkt door de daarin optredende afdrukken van fossielen: heel vaak zeeleliestengelleden (zie foto 99), minder algemeen tentaculieten en Chonetes, weinig spiriferen (zie Fig. 97) en Pleurodictyum, Camarotoechia, Pterinea en trilobieten. Het is elke keer weer een avontuur om een grote
zwerfsteen waarvan men aan de buitenkant al de aanwezigheid van fossielafdrukken waarneemt te splijten. Men kan dat beter thuis doen dan in het veld, aangezien de veelal zachte afdrukken bij transport in de zijtas veel te lijden hebben, zelfs al zijn ze in ruim papier verpakt. Algemeen zijn zulke stenen niet. Volhouden met zoeken is echter geraden, de aanhouder wint en het vinden van een spiriferenzandsteen is een ware vreugde, het opsporen van de fossielen aan de hand van afbeeldingen een groot genoegen.
Een buitengewoon mooie spiriferenzandsteen werd door Bijlsma (1964) beschreven. Dit te Mook gevonden blok van 18 kg bevatte niet minder dan 14 koraalkolonies (Pleurodictyum) naast honderden brachiopoden, waaronder 120 doubletten van Rhynchotreta.
Spiriferenzandstenen komen voor zowel in de Ardennen als in het Rijnleisteengebergte, waar het leeuwendeel van onze zwerfstenen wel vandaan zal komen. In Twente, langs de Hondsrug en in Westerwolde zijn zulke stenen veel zeldzamer dan in Zuid- en Midden-Nederland. Krul (1954) vermeldt zo’n vondst van Westerhaar, en denkt aan een zuidelijke herkomst; bewerker vermoedt dat deze stenen uit het Devoon van de Harz afkomstig zijn.

Devonische of carbonische zandstenen, soms kwartsieten, zijn zeer algemeen in al onze grindlagen of ze nu door de Maas, de Rijn of door de oostelijke rivierstelsels zijn afgezet. Een precieze bepaling van de herkomst van deze witte, gelige, grijze, groengrauwe, of bruinrode zwerfstenen is onmogelijk; bij gebrek aan fossielen is de ouderdomsbepaling evenmin doenlijk. De aanwezigheid van adertjes van witte kiezel onderscheidt ze van zwerfstenen uit jongere formaties, waarin deze (althans in de gebieden waaruit onze erratica voortkomen) ontbreken. Een nog enigszins afzonderlijk type vormen rode tot bruinrode devonische zandstenen en kwartsieten die in het Belgische Midden-Devoon veel voorkomen; ze worden beschouwd als de zuidoostelijke afzettingen van de ‘Old Red’ woestijn, bevatten dan ook volstrekt geen fossielen. In het Rijngebied zijn die lagen niet afgezet; maar wel vormden zich daar ook dergelijke gesteenten in andere tijden; determinatie is dus allesbehalve zeker.

Grauwacke noemen de sedimentpetrografen over het algemeen donkergekleurde kleirijke zandstenen, die vaak rijk zijn aan kleine gesteentebrokjes. Zulke zandstenen zijn veelal als turbidiet ontstaan. Waar ze in het Boven-Devoon en het Onder-Carboon van het Sauerland algemeen voorkomen, behoeft het ons niet te verwonderen dat er veel grauwacke’s onder onze Midden-Nederlandse zwerfstenen schuilen. Bij gebrek aan kenmerkende fossielen is het niet mogelijk deze zwerfsteensoort nader te plaatsen. Van Straaten merkte in Zuid-Limburg er talrijke grindjes van op, zodat ook het stroomgebied van de Maas ze moet hebben opgeleverd.

Zandsteen met steenkoolbrokjes. Dit carbonische gesteente komt algemeen voor in de riviergrinden van Zuid- en Midden-Nederland. Het zijn witte tot grijze, soms donkergrijze en soms nog al grofkorrelige zwerfstenen die gekenmerkt zijn door hun gehalte aan steenkoolbrokjes. Nu eens zien we die alleen als zwarte, glinsterende partikeltjes, gemakkelijk met een naald te verpulveren, dan weer treffen we duidelijk verkoolde plantenresten aan, waarin we bij uitzondering nog varens, lepidodendron, stigmaria kunnen herkennen. De zand- stenen hebben een bont uiterlijk doordat er vaak veldspaat (meestal tot witte kaolien verweerd) in voorkomt. Is rijkelijk veldspaat voorhanden en vinden we muskoviet, dan spreken we van arkose (zie daar).
In de Kampgroeve ten Zuiden van Epen kunnen we dit gesteente nog in de vaste rots waarnemen; sommige lagen zijn hier al duidelijk arkoseachtig. Daar waar kwartsgangen present zijn is het gesteente duidelijk sterker verkit, wordt het kwartsitisch. Het Zuid-Limburgse voorkomen ligt middenin een zoom van Carboonzandstenen, met steenkoolbrokjes die Ardennen en Rijnleisteengebergte naar het Noorden toe begrenst; bovendien komen zulke gesteenten voor bij Ibbenbüren, Osnabrück en in de Harz, zodat we in al onze grindgroeven dit gesteente kunnen leren kennen, al is het in Twente en langs de Hondsrug zeldzaam.

 

 

 

 

 

pict1.jpg

 96. Enkele lokaliteiten langs de Rijn.


Permische zandsteen moet in het Rijngrind wel voorkomen aangezien zwerfstenen van de bazalten (‘melafieren’) en porfieren die in het Nahegebied tussen zandstenen uit het Rotliegendes aanwezig zijn hier heel gewone vondsten zijn. Bewuste zandstenen zijn baksteenrood, weinig verkit (kwartsietisch zijn ze vrijwel nooit) en bevatten als woestijnvorming geen fossielen. Het onderscheid met de volgende zwerfsteenzandsteen is vaag; ook in het Nahegebied weet men de grens Perm-Trias niet nauwkeurig te trekken, gevolg van de afwezigheid van fossielen.

Bontzandsteen (een vertaling van het Duitse Buntsandstein) is aldus genaamd omdat het in dikke lagen voorkomend gesteente rood, rose, geel, grijsgroenig of wit kan zijn; de kleurvariatie valt daarom te meer op, omdat de hoofdmassa van de formatie een zeer sprekende baksteenrode kleur heeft. Er is geen twijfel aan of deze gesteenten zijn woestijnvormingen; men ziet ze in het Rijngebied

fraai ontsloten bij Trier, Nideggen, bij Heidelberg, aan de Main, aan de Wezer bij Hameln en op Helgoland. Langs de Maas komt geen bontzandsteen voor en in Zuid-Limburg kunnen we er dan ook geen zwerfstenen van aantreffen. Des te meer vinden we bontzandsteen in overig Nederland. Vooral de door de Rijn aangevoerde zwerfstenen zijn karakteristiek; de zandkorrels zijn ietwat aangegroeid met een kwartsomtrek, hebben dan ook kristalvlakjes welke aan breukvlakken van stenen een flonkerend aspect verlenen. Heel kenmerkend zijn de rolsteentjes van klei (in ‘t Duits Tongallen geheten) die aan de buitenzijde van de steen als putten te zien zijn; op het breukvlak als roest bruinrode lenzen van gewoonlijk een tot twee centimeter doorsnede. Juist in een hete woestijn kunnen kleilagen zó indrogen dat bij kortstondige stortbuien de klei niet ver- vloeit in partikeltjes, maar als rolsteentjes tussen de zandlagen terecht komt. De Noordduitse bontzandsteen is veelal wat fijner van korrel, heeft zelden flonkerende kristalvlakjes en bevat niet zulke grote kleirolstenen en wordt wel als Wezerzandsteen onderscheiden. Het gesteente is minder karakteristiek, verwarring met heel andere zandstenen is niet uitgesloten.
De bontzandsteen van het Rijngebied wordt en werd veel aan gebouwen gebruikt; vandaar de vele rode bouwwerken van Bonn tot Bazel, waarvan het Heidelbergse Slot een der opmerkelijkste is. Enige Rijnse bontzandsteen is ook aan de Utrechtse Dom verwerkt. Noordduitse bontzandsteen werd in plaatvorm via Bremen veel uitgevoerd; het paleis op de Dam is met deze Bremer steen toegerust. Eerder werden er sarcophagen uitgehouwen, die in de Noordelijke provinciën bij wel haast iedere oude kerk gevonden werden.

Concretiekwartsiet. Onder deze naam kunnen we een groep van interessante Jurassische zwerfstenen rangschikken die alle een gladde grijze buitenkant hebben en op de breuk uit dicht, blauw-zwart gesteente bestaan; stevig verkitte fijne kwartskorrels met klei of enige glimmer, zeer fijnkorrelig. Te herkennen zijn ze vooral aan de fossielen erin: voornamelijk ammonieten, ook wel eens bivalven. Nog al eens vinden we middenin deze zwerfstenen een dergelijk fossiel bewaard. Fig. 266 (naar Krul, 1954) toont een prachtig voorbeeld daarvan. Vermoedelijk is de aanwezigheid van het fossiel aanleiding geweest tot concretievorming; deze concreties zijn veel later uitgespoeld, en van hun (oorspronkelijk Middenduitse) ligplaats naar Oost-Nederland vervracht door de rivieren van het oudere pleistoceen. Vanwege het fossielgehalte vormt dit gesteente een begeerde vondst voor de verzamelaar: vooral in Twente zijn er prachtige collecties van gevormd. De aard van de fossielen toont aan dat de concretiekwartsieten voornamelijk uit Lias en Dogger afkomstig zijn.

Malmkwartsiet is een steensoort (door Maarleveld (1957) Liaskwartsiet genoemd) die bijzonder typerend is voor het zgn. oostelijk diluvium, grinden en zanden afgezet door uit Midden- en Noord-Duitsland naar onze’ streken stromende rivieren. De afzettingen daarvan vinden we nog aan de oppervlakte in de Woldbergen, in Salland en Twente, langs de Hondsrug en in Westerwolde. Malmkwartsiet is daarin een van de gewone zwerfstenen; roetzwart, hard, de zijkanten van de keien (meestal niet groter dan een vuist) door platte gladde vlakken begrensd, de onder- en bovenzijde door onregelmatig-bobbelige ruwe oppervlakken. Uit de Malm van de bergketens langs de Noordzijde van Midden- Duitsland zijn deze stenen afkomstig (Anderson, 1956).

pict1.jpg

98. Oriënteringskaart van de Midden-Rijn.

Heersumerzandsteen behoort tot hetzelfde zwerfsteengezelschap en is te herkennen als grijsblauwe tot rose poreuze kwartsietische zandsteen met allerlei typerende fossielen (Trigonia, Goniomya, Pecten, Cardioceras) van de Boven-Jura (Malm), afkomstig uit Wiehengebergte of Teutoburgerwoud. Alleen fossielbevattende stenen zijn als Heersumerzandsteen te herkennen, en die komen ook in Twente maar sporadisch voor.

Wealdzandsteen noemt Krul (1966) een fraai door hem te Westerhaar gevonden zandsteenzwerfsteen met talrijke afdrukken van de slak Glauconia, een typisch fossiel uit de grenslagen tussen Jura en Krijt die in het Engelse Weald zijn ontwikkeld (zie Fig. 219 en Fig. 235).

Bentheimerzandsteen vormt de lage bergrug waarop het kasteel Bentheim gelegen is. Het gesteente is lichtgrijs tot wit van kleur, vormt dikke lagen die in talrijke steengroeven werden ontgonnen. Veel gebouwen zijn er uit opgetrokken; het paleis op de Dam, de beurs in Rotterdam, het theater in Antwerpen, de Martinitoren te Groningen. Maar ook gebruiksvoorwerpen van nederiger aard, zoals de zompen of veetroggen die thans voor bloemenbak in de antiekhandel courante waar zijn. Daarnaast werden uit de dunnere zandsteenlagen vloertegels gekapt; in de Librije te Zutphen zowel als in de grote zaal van de havezathe Breklenkamp nabij Denekamp bevinden zich daarin de hoefijzervormige indrukken van het levensspoor Rhizocorallium. Andere fossielen bevat Bentheimerzandsteen niet; als zwerfsteen moet deze in Twente wel voorkomen, maar is bij gebrek aan bijzondere kenmerken niet als zodanig te determineren.

Gildehauserzandsteen komt uit hetzelfde gebied als de Bentheimer, is iets jonger maar dateert ook uit het Onder-Krijt. Massaal komen daarin sponsnaalden voor, die als holle naalden het gesteente doorspekken; men heeft wel een loupe nodig om ze te kunnen ontdekken. De gelige zandsteen is meestal vrij fijnkorrelig, en bevat soms veel afdrukken van vooral Pecten-achtige schelpen, ook ammonieten (Crioceras). Als vaste rots kunnen we de Gildehauser waarnemen te Losser, waar een kunstmatige ontsluiting is tot stand gebracht met een monument voor W.C.H. Staring, de eerste geoloog in Nederland. De laag is tot in het Teutoburgerwoud te vervolgen. Als zwerfsteen vooral in Twente bekend, maar ook bij Amersfoort gevonden.

Spongoliet is de wetenschappelijke naam voor zandstenen waarin sponsnaalden in overmaat aanwezig zijn, soms zelfs de kwartskorrels geheel kunnen ontbreken. Men herkent de kleine grijze dobbelsteenvormige zwerfgrindjes pas onder de loupe, nog beter onder het microscoop; vandaar dat ze zeer weinig worden opgemerkt. Van Straaten (1946) vond er vrij wat zeer dungelaagde voorbeelden van in het grind van Zuid-Limburg; hij vermoedt het Carboon van de Ardennen als herkomstlaag, al is het bij gebrek aan dateerbare fossielen niet uit te maken hoe oud de erratica zijn. Spongolieten in het Oosten van het land kunnen uit het Midden-Duitse Onder-Krijt afkomstig zijn. ‘t Blijven vrij zeldzame steentjes.

Groenzandsteen wordt zandsteen genoemd die rijk is aan het mineraal glauconiet, dat zwartgroen van kleur is. De Onder-Krijt-lagen van de hoeve Bekering, ten Oosten van Winterswijk, bestaat er uit; zo ook het Vaalser Groenzand van het Boven-Krijt in Zuid-Limburg. Zwerfstenen van groenzand vinden we uitsluitend in keileem, omdat glauconiet zo gemakkelijk verweert. Kruizinga vermeldt verschillende erractica uit het keileem van Hemelum en Winschoten, die Pecten en Belemnitella bevatten en op grond daarvan uit het Boven-Krijt van Denemarken moeten worden afgeleid.
Onverhard glauconietzand (veel voorkomend in het Tertiair van Oost-Nederland) treffen we niet zelden ook aan als erraticum. De keileemlagen van Markelo bestaan er gedeeltelijk uit, en ook in Groningen zijn grote schollen glauconietzand daarin opgemerkt. Soms bevatten ze microfossielen en kunnen daarmee als Oligoceen of Mioceen worden gedateerd.

Pectenzandsteen kunnen we lichtgrijze kwartsietische zandstenen noemen die wat glauconiet bevatten en vooral opvallen doordat er veel grote fossielen van Pecten in voorkomen, ook Vola, Inoceramus en Pinna. In de streek tussen Eibergen en Aalten worden deze zandstenen geregeld als zwerfsteen opgeraapt; ook losse schelpstukjes komen wel voor. Ze komen waarschijnlijk uit het Boven-Krijt van het bekken van Munster; Haltern is een lokaliteit waar de vaste rots te zien is.
In Twente, als ook in de Achterhoek, aan de Hondsrug en in Oost-Groningen komen niet zeldzaam pectenachtigen, oesters en belemnieten voor die geheel in chalcedoon zijn omgezet en fraaie kiezelringen vertonen. Soms hecht er nog wat gesteente aan, dat lithologisch sprekend op genoemde Pectenzandsteen lijkt. De ouderdom ervan moet, gezien vooral de belemnieten, eender zijn; maar het herkomstgebied moet iets noordelijker liggen dan dat van de typische pectenzandstenen. Komen namelijk laatstgenoemde zwerfstenen vooral in de Achterhoek voor, de verkiezelde schelpen zijn het algemeenst in Twente.

Paleocene kalkzandstenen komen in sommige keileemlagen (vooral die van Hemelum) wel eens voor. Het zijn glauconiethoudende mergelige zandstenen, geelgrijs tot groengrauw van kleur en soms rijk aan sponsnaalden. Ze kunnen pas met zekerheid worden gedetermineerd op grond van de in de (in totaal circa 700 bekende) zwerfstenen meestal wel voorkomende fossiele schelpen en slakkenhuizen. Hun herkomstgebied moet wel zijn oostelijk Denemarken mitsgaders de aangrenzende Oostzeebodem.

Eocene zandstenen zijn er vrij vele maar ze hebben ieder voor zich maar een heel beperkt verspreidingsgebied. Hiertoe behoren de grofkorrelige fossielrijke strandstenen van Cadzand; de kalkrijke groenige zandstenen met haaien- en roggentanden uit het keileem van Losser; de dungelaagde zwerfsteentjes van zeer fijnkorrelig zand of silt, door Anderson Vasser siltsteen gedoopt en in Twente verbreid; nummulieten bevattende zandstenen uit Limburg. Utrecht, het Gooi van het Eoceen langs de Sambre.

Cementkwartsiet noemen we kwartsieten waarvan de zandkorrels (veelal zeer hoekig, door oplossingsverschijnselen) schijnen te zweven in een zeer harde grondmassa welke onder het microscoop als fijnkristallijn kwartsaggregaat wordt ontmaskerd. Cementkwartsiet is nooit normaal gelaagd. Grofzandige vormen van dit opmerkelijk gesteente treffen we vooral in Twente en Achterhoek aan; die zijn grijzig van kleur en lijken heel veel op kunstmatig portlandcement. In Zuid-Nederland komen meer fijnkorrelige typen voor met een knollen- en slierenstructuur, gelig of bruinachtig, soms rood aangelopen. Het breukvlak is mat en splinterig, het oppervlak vaak glanzend en glad. Knollenzandsteen en zoetwaterkwartsiet zijn benamingen die ook op dit zwerfsteentype worden toegepast. Aangezien er nog al eens plantenwortelfossielen in worden aangetroffen en nimmer andere resten van leven, is het waarschijnlijk dat we in de cementkwartsieten verkiezelde zandbodems moeten zien, wellicht gevormd in een heet en vochtig klimaat gedurende het oudere Tertiair. In oligocene zanden van Midden-Duitsland treden zulke niveaus nog wel op; ze moeten ook aanwezig zijn geweest in de Ardennen want al onze grindlagen leveren er stukken van op; al komen ze in de noordelijke provincies minder voor dan in de zuidelijke, waar ze algemeen zijn.
De in de inleiding reeds genoemde witte Nivelsteiner zandsteen uit Zuid-Limburg en aangrenzend Duitsland, kan deels worden aangezien voor weinig verkiezelde cementkwartsiet; evenzo de zandsteenzwerfstenen met bladafdrukken die enkele malen in Overijssel en Drenthe gevonden werden.

Limonietzandstenen. Bij Nieuw-Namen, in Zeeuws-Vlaanderen, bevond zich een zandgroeve in glauconietrijk Boven-Plioceen zand, met allerlei fossielen zoals Astarte, Pecten en Neptunea. Helaas is dit mooie geologische natuur- monument door huisvuilstorting roemloos ten onder gegaan. Men kon daar zeer fraai zien hoe de bovenste lagen van het glauconietzand door verwering in roestbruine limonietzandsteen waren omgezet; een verschijnsel trouwens dat b.v. in het Twentse Eoceen op de Tankenberg ook wel eens waar te nemen viel.
Zwerfstenen van limonietzandsteen zijn sporadisch te vinden; ze gaan vaak over in concreties van ijzeroxyden (zie daar). Door de fossielinhoud is hun ouderdom en herkomst te bepalen. In de keileemlagen van Hemelen, Rijs en Winschoten is een tiental stukken limonietzandsteen met typische Jurassische schelpen aangetroffen, wellicht afkomstig van de bodem van het Skagerrak aangezien dergelijke zwerfstenen ook van het Deense strand beschreven zijn. Ook in het grind van oostelijke herkomst komen limonietzandstenen voor. Bij deze niet roestbruine maar glanzigzwarte typen valt een grotere hardheid van het gesteente op te merken; ongetwijfeld is dit de reden dat zwerfsteentjes van dit materiaal wat algemener zijn in Twente dan de andere typen in overig Nederland, die zeer zacht en dus ook heel kwetsbaar zijn. De Twentse steentjes bevatten geen fossielen, zijn vooralsnog niet met zekerheid uit een bepaald herkomstgebied af te leiden.
In Midden- en Zuid-Nederland zijn weer andere limonietzandstenen aangetroffen; zeer interessant is een vondst van Van der Lijn nabij Amersfoort uit de aller-onderste Juralagen (met Pecten en Avicula), zie Fig. 252. Veel algemener zijn brokken welke uit de Boven-Oligocene glauconietzanden van zowel Zuid- Limburg als het Duitse Rijngebied benedenstrooms van Düsseldorf afkomstig moeten zijn. De steenkernen behoren tot Glycymeris, Pitar en Turritella naast andere bivalven en gastropoden; bij Elsloo in Limburg vinden we ze nog op de oorspronkelijke ligplaats.

Grind en conglomeraat

Op vele plaatsen in ons land vindt men grindbanken, welke daar door de rivieren van voorheen en thans, als ook door het smeltwater van het diluviale land- ijs zijn afgezet. Zulke grindlagen en lenzen treffen we altijd aan in dikke zand- formaties; aangezien de betreffende waterstromen hun grind ontlenen aan een meestal uitgebreid stroomgebied zijn er veel verschillende steensoorten in terug te vinden. Dit bonte grind (of, als de rolstenen verkit zijn, conglomeraat) heet polymikt. Maar grind ontstaat ook aan de voet van rotskusten; heel mooi kunnen we dat zien aan de Engelse en Franse Kanaalkust, waar de stranden geheel bestaan uit vuursteenrolstenen. Een dusdanig eentonig gezelschap wordt oligomikt genoemd. Strandgrind hoeft niet noodzakelijkerwijs monotoon te zijn; op Wieringen, Urk en bij Groningen vinden we grote hoeveelheden uit keileem gespoeld grind. Aangezien keileem velerlei steensoorten bevat, zijn die strandgrinden ook zeer bont. Opmerkelijk is dat de stenen door de golf- werking sterker afgerond worden dan door transport in een rivier. Zeer rond is het vrijwel alleen uit vuursteenrolstenen bestaande Miocene grind van Zuid- Limburg.
Een heel bijzondere vorm van ‘grindlaag’ is het keileem, de grondmorene van de Scandinavische gletsjers welke in de IJstijden van het Pleistoceen half Nederland bedekten. Noch in een rivier, noch aan een strand kunnen we een ongelaagd mengsel van klei, zand en stenen verwachten; dat kan alleen ontstaan aan de basis van een geweldig dik, langzaam voortschuivend ijsdek. De stenen in het keileem worden door de krassende en schurende werking van het ijs wel wat afgerond, maar ze blijven meestal nog hoekiger dan de rivierstenen. Echte keiharde conglomeraten van eigen bodem zijn in ons land zeer sporadisch te vinden en dan steeds in geologisch heel jonge lagen. Vooral in Zuid- Limburg is grind van de pleistocene Maas dikwijls door calciet verkit, welke ontleend is aan de bovenliggende veelal ontkalkte löss. De zeer locaal over heel Nederland voorkomende ‘plaatseigen zandsteen’, eveneens door calciumcarbonaten gecementeerd, bevat wel eens grindpartijen die ook verhard zijn en als conglomeraat kunnen worden beschouwd. Hier en daar vindt men door limoniet verkitte conglomeraten, vooral daar waar kwel plaatsvond of plaatsvindt. Tussen onze zwerfstenen is echter een aantal mooie conglomeraatsoorten aan te treffen.

Digerbergconglomeraat heet naar de Digerberg in het Zweedse Dalarne, waar de precambrische zandsteenformatie inschakelingen van conglomeraat vertoont. Vanwege de herkomst is deze zwerfsteen alleen in Noord-Nederland te vinden en daar zeldzaam. Kenmerkend zijn de ronde tot hoekige tot 10 cm grote stenen van porfier, helleflint en kwartsiet in een fijnkorrelige bruinrode grondmassa. Er komen in Scandinavië meer zulke gesteenten voor, en niet alle behoeven uit Dalarne afkomstig te zijn; merken we echter als bestanddelen in een conglomeraat bredvad- of särna-porfier op, dan is de determinatie wel zeker. Er komen ook tufachtige Digerbergconglomeraten voor.

Fépinconglomeraat heeft een keiharde meestal rode grondmassa van kwartszand waarin rolstenen van vooral witte kiezel (soms met ingesloten muscoviet) overheersen; enkele kwartsiet- en phyllietgrindjes merken we op, maar géén zwarte kiezelleien. Het gesteente komt in de Ardennen voor in de lagen van het onderste Devoon, het Gedinnien om welke ouderdom het gesteente ook wel gedinnienconglomeraat wordt geheten. In het Onder-Devoon aan de Rijn schijnen overigens ook dergelijke conglomeraten voor te komen, die echter weinig tot onze zwerfstenenfamilie hebben bijgedragen; van Zuid-Limburg naar het Noorden toe zijn vondsten van Fépinconglomeraat steeds schaarser. Een prachtig stuk ligt in het Geologisch Instituut te Utrecht; het is 60 cm lang en werd door M.G. Rutten te Rhenen verzameld.

 

99. Profiel langs de Maas bij Fépin; links (1) Cambrium, overigens Devoon met de conglomeraten van Fépin (2) en Burnot (9) en de arkose van Haybes (2), in de formatie van lei en zandsteen.

Burnotconglomeraat heeft eveneens een rood cement; maar dit ‘natuurlijk beton’ is veel bonter (zie Fig. 100) dan dat van Fépin, aangezien de rolsteentjes niet alleen uit witte kiezel maar ook uit allerlei kwartsietsoorten, phylliet, rode ijzerkiezel en toermalinieten bestaan. Deze laatste grindjes (blauwig-zwart tot lichtgroen van kleur) zijn vroeger ten onrechte voor kiezellei (lydiet) gehouden; in echt burnotconglomeraat komen kiezelleisteentjes in het geheel niet voor. Burnotconglomeraat is een heel typisch gesteente van het Onder-Devoon in het Maasdal tussen Namen en Givet; zwerfstenen ervan zijn dus gidsgesteenten voor oude Maasafzettingen. Er komen soms geweldige rotsblokken, meters groot, als erraticum voor (zie het Museum te Maastricht). Naar het Noorden toe worden de zwerfstenen ervan steeds schaarser. Soms vindt men stukken waarin de afwisseling van zandlagen en grindbanken, alles keihard verkit, nog te zien is; een prachtig voorbeeld daarvan geeft foto 66. Dit type van conglomeraten heeft geleid tot de benaming puddingstenen; de gelijkenis met ouderwetse pudding uit griesmeel, bessensap en halve gepelde amandelen is dan ook sprekend.
Een iets jongere variant van Burnotconglomeraat is Tailferconglomeraat dat uit dezelfde componenten bestaat maar in een groen kitmiddel is gebed. Deze midden-devonische afzetting wordt vrij zelden in Zuid-Limburg als zwerfsteen aangetroffen.

pict1.jpg

pict2.jpg

100. Burnotconglomeraat van Soesterberg; ware grootte.

101. Andenneconglomeraat; op dit in werkelijkheid 2,5 cm brede vlakje is goed te zien hoe de harde witte kiezelgrindjes in de zachtere kiezellei drongen. Naar een zwerfsteen van Caberg, coll. Geol. Bureau Heerlen.

Andenneconglomeraat is carbonisch, en dus jonger dan de vorige; alhoewel eveneens uit de Ardennen afkomstig heeft deze grindsteen toch een heel andere samenstelling. De grondmassa is meest grijzig, soms roestkleurig, bevat stukjes steenkool; de vastgekitte rolsteentjes bestaan uit witte kiezel en tafrijke radiolariën bevattende meestal zwarte kiezellei. Door deze bestanddelen heeft Andenneconglomeraat een zwartbont uiterlijk, zoals uitkomt op Fig. 101. De zwerfstenen zijn meestal tamelijk klein; soms tonen ze nog een duidelijke gelaagdheid. Benoorden van Limburg zeldzaam.
Deels veel grovere conglomeraten met kleine brokjes veldspaat, maar overigens wel bestaande uit grind van witte kiezel en kiezellei alsmede steenkoolbrokjes komen bij Aken, in het Ruhrgebied en bij Ibbenbüren in het Boven-Carboon voor; zwerfstenen daarvan zijn niet altijd goed van Andenneconglomeraat te onderscheiden. Het Finefrau-conglomeraat, diep in de mijnen van Limburg, behoort mede hiertoe maar leverde geen erratica.

Melafierconglomeraat, bestaande uit rolstenen van chocoladebruine omgezet- te bazalt in zeer spaarzame roodachtige grondmassa, moet wel uit het Nahegebied afkomstig zijn waar in het Perm zulke conglomeraten voorkomen. Even zeldzaam als deze Rijnse zwerfsteen is rhombenporfierconglomeraat, uit even oude lagen afkomstig, in het Oslogebied; vandaar enkele vondsten in Noord-Nederland.
Bontzandsteenconglomeraat is van de noordwesthoek van de Eifel afkomstig, wordt weinig als zwerfsteen gevonden: rode flonkerende zandsteen met daarin goed afgeronde rolstenen van witte kiezel en van zandsteen en kwartsiet. In gewone zwerfstenen van bontzandsteen vindt men ook wel eens een grindsnoertje, tenminste in die van Rijnse herkomst; de bontzandstenen van het dal van de Wezer zijn veel fijnkorreliger en missen conglomeratische inschakelingen.

Vuursteenconglomeraat is een bijzonder fraai gesteente, bestaande uit prachtig afgeronde vuursteenrolstenen gebed in tamelijk los verkit zand; het conglomeraat splijt om de rolstenen heen. Hoogstwaarschijnlijk is dit conglomeraat door locale verkitting van miocene grindlagen met kwarts ontstaan. Van Straaten (1946) wees erop dat de grote rotsblokken ervan bovenaan de Geuldalhelling bij Mechelen (Limburg) geen zwerfstenen zijn, maar de laatste resten van een mioceen dek (vgl. Nivelsteiner zandsteen). De schaarse zwerfstenen ervan kunnen uit dit gebied afkomstig zijn, maar ook uit de omgeving van Keulen.

pict2.jpg

pict1.jpg

102. Breccie: scherpkantig steengruis in bindmiddel.

103. Tuffen 4 x vergroot; bovenaan glassikkeltjes, onderaan bij ontglazing ontstane kristallieten en sferolieten.

Breccie

Onder deze naam moeten we verstaan aaneengekit hoekig gesteentepuin. Zulk materiaal kan aan de aardoppervlakte ontstaan; ieder weet wel dat de hellingen van hooggebergte bekleed zijn met mantels van omlaaggezakte stukken en brokken. Dergelijke breccies noemen we exogeen. Door bewegingen in de aardkorst (aardbevingen, vulkanisme, gebergtevorming) ontstaan ook diep in de grond zônes van versplinterd gesteente, welke vaak naderhand weer verkit raken; zulke breccies heten endogeen.
Alle breccies hebben gemeen dat ze normaliter oligomikt zijn en vrijwel niet gelaagd (zie Fig. 102). In Nederland is maar één niveau hoekige gesteentefragmenten aanwezig dat in een breccie zou kunnen worden omgezet; dat is het vuursteeneluvium, vooral langs de toeristenweg over de Vaalserberg prachtig ontsloten. In het Eoceen vermoedelijk is daar onder invloed van een warm en vochtig klimaat door massale oplossing van de vuursteenknollen bevattende Krijtkalkstenen een dik pakket van scherpkantige vuursteenfragmenten achtergebleven, een volslagen kalkvrije laag van silexpuin.
Als exogene breccie zou men kunnen beschouwen de laagjes bestaande uit stukken zee-egelschalen, welke men in het tufkrijt van Maastricht en Geulhem vindt. Dergelijke echinidenbreccies worden wel eens in vuursteen omgezet, en zijn als zwerfsteen wel eens aangetroffen vooral in Zuid-Limburg. Schelpenbreccies bestaande uit scherpkantige brokken schelp, soms gevat in zandsteen, komen bij hoge uitzondering wel eens in het keileem voor, en dateren uit het Tertiair.
Endogene breccies kunnen we nergens in Nederland aan de oppervlakte in de vaste rots observeren; des te talrijker zijn ze tussen onze zwerfstenen. Veel komen voor breccies van kwartsiet, kiezellei (foto 70) en rode ijzerkiezel (foto 59), verkit door witte kiezel, soms ook door afwisselend chalcedoon en kwarts, waardoor prachtige achaatbanden ontstaan. Zulke breccies kunnen bijzonder aantrekkelijke sierstenen opleveren. Minder talrijk zijn echter gangbreccies, ontstaan bij het indringen van magma in vast gesteente (zie foto 21). Gezien de schaarste van eruptieve gesteenten in Zuid-Nederland moeten we hiervoor de noordelijke streken afzoeken. Myloniet (zie Fig. 57) worden tectonische breccies geheten.

Vuursteenbreccie is een merkwaardig gesteente, hier alleen als zwerfsteen bekend, maar zeer zeldzaam. Vermoedelijk zijn ze reeds tijdens het Krijt ontstaan door het breken van vuursteenlenzen die vervolgens weer door nieuwgevormde vuursteen werden aaneengekit. Deze breccie is door Van Straaten (1942, 1945, 1946) in Zuid-Limburg als zwerfsteen aangetroffen, door Van der Lijn te Amersfoort.

Tuffen

Deze gesteentegroep oversnijdt de grenzen tussen stollingsgesteenten en sedimenten; de kwartsporfieren zijn meestal ignimbrieten (ontstaan uit aaneengesmolten vulkanische as) en worden bij de uitvloeiïngsgesteenten behandeld. Aan de andere kant behoort los verkitte vulkanische as (soms fossiele planten bevattend) met uitgesproken afzettingsgelaagdheid duidelijk tot de sedimentgesteenten. Alhoewel tuflagen in Nederland niet aan de oppervlakte voorkomen (in boringen wel, vooral in het Eoceen van Noord-Nederland) kunnen we het gesteente gemakkelijk leren kennen; veel van de oudste kerkgebouwen, nog in de Romaanse stijl opgetrokken, zijn uit blokken tufsteen (vroeger duifsteen geheten) gebouwd. Die tufsteen werd gebroken in steengroeven tussen de dalen van Nette en Brohl, zijrivieren van de Rijn in de Eifel. Op vlotten en schuiten werden de behouwen blokken naar Deventer gevoerd, waar zich in de 12e en 13e eeuw de hoofdmarkt voor bouwsteen bevond. Vandaar vond het materiaal zijn weg naar de verschillende bouwwerken; meest kerken, ook wel eens kastelen, zoals de Leidse burcht. De hele bedrijfstak verdween alras toen het bakken van baksteen werd ingevoerd; maar wel moesten de oudste bakstenen hetzelfde formaat krijgen als de tufsteenblokken, om met deze in één metselverband te kunnen worden verwerkt. Vandaar de onbehouwen afmetingen van de eerste bakstenen of klootermoppen!
De tufsteen onzer oude, kerken is geelwit, zacht, bevat verweerde veldspaat, maar ook veel scherpkantige stukjes leisteen en heeft dus een typische brecciestructuur. Onder het microscoop blijken tuffen veelal zeer scherpkantige sikkeltjes van vulkanisch glas te bevatten (Fig. 103); deze eigenschap verklaart waarom tufsteen scherp aanvoelt. Tufzwerfstenen zijn in ons land niet heel algemeen; nog het meest vinden we precambrische gesteenten uit Zweden afkomstig, zwerfstenen van zuidelijke tuffen zijn schaars.

Helleflint is een goed herkenbaar gesteente dat in Noord-Nederland niet zeldzaam voorkomt. Het bestaat voornamelijk uit kwarts, en is licht van kleur, glanst spekachtig. Op de breuk gelijkt het wel op vuursteen; soms zijnde scherfjes enigszins doorschijnend aan de kanten. De naam is Zweeds, betekent dan ook rotsvuursteen. Verwarring met vuursteen is overigens uitgesloten, want de meeste helleflinten bevatten kleine veldspaatkristalletjes die als losse korrels in het gesteente zijn afgezet, dus niet naderhand ontstonden, zoals in vele gneissoorten. Sommige helleflinten zijn eenkleurig en dan rose, grijs, beige of wit. Andere zijn echter zeer fraai gelaagd; mooie steentjes met in kleur verschillende lagen, zwartig, roodachtig, groenig en bruin dan wel licht van kleur. Verweren doen ze bijna niet, begrijpelijk, gezien het hoge kwartsgehalte; er treedt alleen een oppervlakkige verkleuring op die toch nog verrassen kan wanneer men met de hamer een geelbruin schijnende helleflintkei aanslaat en het binnenste toch donkerbruin of zelfs zwart blijkt te zijn. In Zweden zijn helleflintformaties wijd verbreid; zwerfstenen er van zijn dan ook niet zeldzaam. Aangezien ze sterk zijn omgezet, worden de helleflinten in het volgende hoofdstuk besproken.

Leptieten behoren mede tot de helleflint-groep en gaan daarin ook over; volgens Magnussen hebben helleflinten een korrelgrootte tussen 0.03 en 0.05 mm (en schijnen daarom voor het ongewapende oog dicht en homogeen) maar zijn leptieten wat grofkorreliger dan 0.05 mm; met het blote oog zien we de heel fijne partikeltjes. Leptiet is vooral in Midden-Zweden een zeer wijd verbreid gesteente. Niet alle lichtgekleurde kwartsrijke soms gebande of gelaagde fijnkorrelige gesteenten met wat glimmertjes of! en veldspaatjes behoeven tuffen te zijn geweest; er schuilen mogelijk ook omgezette zandstenen en siltstenen onder, alsmede aplieten (zeer fijnkorrelige granieten). We hebben hier dus met een heterogene zwerfsteengroep te maken; allerlei processen hebben tot uiteindelijk een en hetzelfde gesteente gevoerd, en aan de zwerfsteen alleen hebben we niet genoeg om de wordingsgeschiedenis te bepalen. De leptieten worden meer uitgebreid in het volgende hoofdstuk behandeld.

Fagerhult-tuf, een helleflintachtig gesteente van grijszwarte kleur bevat zeer talrijke fragmentjes van rose tot witte veldspaat, 1-5 mm groot en enkele grijze kwartskorrels; er is enige gelaagdheid. Uit het precambrium van Oost-Smaland; slechts enkele vondsten.

Idkerberg-tuf bestaat eveneens uit fijnkorrelige fragmenten van kristallen in vage lagen; soms graniet- of porfierbrokjes. Een rose of bruinrode tuf met groene vlekken; enkele exemplaren hier te lande gevonden; wel afkomstig van Idkerberg ten Zuiden van ‘t Siljanmeer in Dalarne.

Eruptietbreccies uit Oost-Smaland zijn zeldzame zwerfstenen eveneens; in dichte grondmassa’s van roodbruine of grijsgroene kleur zien we gesteentebrokjes (porfier, diabaas) en fragmenten van kwarts, veldspaat en glimmer. Soms zijn de centimeterlange gesteentebrokken slierig vervormd; men spreekt dan van eutaxiet. Zeer zeldzaam, maar opvallend en daarom enkele malen in Drenthe opgeraapt.

Basalttuf uit het Eoceen van de bodem van het Skagerrak is een gelaagd zwart, soms fossielbevattend gesteente, dat van cambrische kalksteen door de aanwezigheid van splinters vulkanisch glas verschilt. Slechts enkele vondsten uit ons land. Veel jongere bazalttuffen vinden we bij de Laacher See, kort bij de Rijn; die zijn echter niet verhard, komen daarom niet als zwerfsteen voor. Ze ontstonden vooral in het Midden-Pleistoceen; de Rijn erodeerde de vulkanische afzettingen meteen, en zette de meegevoerde pyroxeen-kristalletjes op de zandbanken in het delta-gebied, dat toen driekwart van Nederland besloeg, weer af. Door hun gehalte aan deze zwarte augieten zien de Rijnzanden uit het jongere pleistoceen in Nederland er veel bonter uit dan de oudere afzettingen; een belangrijk kenmerk bij het vaststellen van de ouderdom van onze zandlagen.

 

 

 

 




 

 

57. Alkalisyenietporfier (Zwerfsteen van Markelo). De vierkante veldspaten liggen in een grond- massa waarin stipjes nefelien voorkomen. Vermoedelijk uit het Perm van het Oslogebied afkomstig. Lengte van de steen 18 cm.

 

 

58. Barnsteen in fossiel hout (Zwerfsteen van Zuidlaren). Een unieke vondst: het fossiele hars steekt nog in het bruinkoolhout van de boom die eens ‘t hars leverde. Collectie Rinket.


 

 

59. Breccie van rode ijzerkiezel (Zwerfsteen van Nijmegen). Rode ijzerkiezel, ook wel jaspis genoemd, komt vooral voor in het Devoon van het Sauerland; na de vorming bij hete bronnen werd het materiaal door gebergtevormende bewegingen verbrijzeld, tenslotte door witte kiezel weer aaneengekit. Lengte van de steen 9,6 cm.

 

 

60. Kwartsietbreccie met chalcedoonbanden (Zwerfsteen van Eibergen). De scherpkantige brokken kwartsiet zijn eerst door rode chalcedoon en daarna door witte kiezel verkit. Vermoedelijk een gesteente uit Devoon of Carboon van Midden-Duitsland. Afbeelding op ware grootte.

 

 

61. Verkiezeld hout met hoorgaten (Uit Zuid-Limburg). In de lagen van de Krijtperiode van Zuid- Limburg is vooral het Akens zand nogal rijk aan stukken verkiezeld hout, zoals het hierboven afgebeelde. Diameter van het stuk 20 cm.

 

 

62. Kiezelsponzen (Zwerfstenen van Sibculo en Heerde). De drie bruingrijze zijn uit het oostbaltische Ordovicium afkomstig, en behoren tot de Astylospongia-groep; de beide wittige komen uit het Midden-Krijt van Duitsland, behoren in de buurt van Ventriculites, het grootste stuk met nog ‘n deel van de beker is 8 cm lang.

 

 

63. Kalksteen met koraalafdrukken (Uit de Pietersberg). In het crèmekleurige Maastrichtse tufkrijt zien we schijfvormige afdrukken van de voetplaat van het solitaire koraal Cyclolites; ster- vormige indrukken komen van de bovenzijde van dit holtedier uit de Krijtzee. Lengte van het brok 13,3 mm.

 

 

64. Kalksteen met Lituites (Zwerfsteen van de Noordoostpolder). Gekromde nautilusachtigen zoals deze zijn zeldzame verschijningen, vooral afkomstig uit het oostbaltische Ordovicium. Lengte van de steen 15,7 cm.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

104. Een basaltkop beschermt onderliggende tuflagen tegen erosie. Zevengebergte, naar Laspeyres.

 

 

Latiettuf (of trachiettuf) vormt in het Zevengebergte nog een dek van 5 km breed en wel 100 m dik. De hoofdmassa is al verdwenen; vooral onder de basaltproppen bleven de zachte lagen gespaard (zie Fig. 104). Het dek reikt nog ver buiten genoemd gebied, maar is daar vaak minder dik. Het gesteente werd (zoals in de inleiding tot de tuffen vermeld) in Middeleeuwse tijden ook tot bouwsteen in Nederland gebezigd. Het is meestal wittig, gelig of grijs van kleur, bevat stukjes lei en kwartsiet, is veelal gelaagd, vaak licht van gewicht en scherp in de hand. Vooral bij het grindbaggeren bij Lobith zijn er nog al wat zwerf- stenen van gevonden; naar het westen toe wordt het gesteente zeldzamer, bij Hilversum komt het tussen de Rijngesteenten al nauwelijks meer voor. Een zwerfsteen van Arnhem is op foto 67 afgebeeld.


Tras is een specialiteit van het dal van de Brohl, een wellicht door modderstromen ontstane lichtgrijze tot gele aardachtige tuf met puimsteenbrokken, die soms plantenresten bevat. Vermoedelijk werd door koolzuurrijk grondwater het in de tuf aanwezige vulkanische glas zo omgezet dat de tras geschikt is geworden om tot hydraulische mortel te dienen. Nederlanders bouwden in de 16e eeuw watermolens in de Brohl en openden steengroeven om aan metselspecie voor hun vaak zo ‘natte’ bouwwerken als sluizen, brugfunderingen etc. te kunnen komen. Tras = tyras = kitstof, een Middelnederlandse benaming! Zwerfstenen van tras werden door De Graaf bij Arnhem gevonden; het zijn zachte gesteenten welke verder stroomaf wel verdwenen zullen zijn.


Rode verkiezelde tuf is de algemeenste onder de tuffen van zuidelijke herkomst. Het materiaal ontstond door latere verkiezeling van gewone latiettuffen. We herkennen ze als bruinrode grindjes met ingesloten hoekige brokjes groenige leisteen en wittige verweerde veldspaatstukjes. Bewerker vond wel 50 zwerfsteentjes van deze Rijnse erratica bij Laren (N.H.); ook op de Veluwe komen de typisch bontgekleurde grindjes niet zeldzaam voor. Wie ze verkrijgen wil moet op het kleine grut letten; als bij zovele verkiezelingen schijnen slechts dunne laagjes te zijn omgezet.


Klei, schalie en kiezellei


Voor Nederlanders is klei een al heel gewone grondsoort; het aantal spreek- woorden erop gebaseerd is legio, en een goed deel van de oppervlakte van ons land bestaat uit rivierklei (schelpenvrij) of zeeklei (niet zelden zeeschelpen bevattend).

 

 

 

105. Tuftrechter bij Königswinter (zie ook
Fig.78). D = devonische zandsteen en lei, geplooid; gestippeld de tuf, L = Löss, H = hölle, M = Mittelbach

 

 

 

 

 

 


Het materiaal van beide gesteenten danken we aan de grote rivieren, die bovenstrooms kleideeltjes opnamen en de zwevende partikeltjes naar onze streken transporteerden. Grovere bestanddelen moeten worden gerold, zandkorrels blijven dus veel eerder liggen dan kleideeltjes die pas in stil water kunnen bezinken. Dat kan gebeuren in de lage streken tussen de rivieren in, waar. na overstromingen in meerachtige bekkens de komkleien werden afgezet. Een deel van de klei kwam in zee terecht en bezonk tenslotte in rustige laguneachtige kustgebieden met weinig stroming en golfslag.
Zonder twijfel heeft aan de enorme kleiafzetting in Nederland de bodemerosie in de bovenstroomse gebieden een stevig handje meegeholpen. De landbouw is in West-Europa een zevenduizend jaar oud en vooral in de eerste duizenden jaren is zeer veel vruchtbare verweringsklei van de dalwanden in hoofdstroom en zijrivieren van de Rijn, Maas en Eems terecht gekomen.

De kwaliteit van klei als grondstof hangt af van de samenstellende mineraalsoorten en van de korrelgrootte. Nederlandse kleisoorten bevatten doorgaans van 40—80% kwarts en worden dan mager genoemd; Mesopotamische kleien maar 10—30%, zijn dus zeer vet. Fijnkorrelige vette klei is voor keramiek het best geschikt. De kwaliteit wordt verder bepaald door het gehalte aan .ijzer (hoge gehalten geven donkerrode steen, lage lichtrood) en kalk (bakt geel uit). Een overmaat aan humeuze substante, zeezout, ijzermineraal of kalk maakt kleien onbruikbaar. De pleistocene kleien van Limburg en West-Brabant zijn mager, fijnkorrelig en kalkhoudend en werden dan ook zeer veel voor keramiek gebruikt. Men noemt zulke klei veelal leem. De klei op de uiterwaarden langs Rijn en Waal is ook mager en kalkhoudend, maar grofkorrelig en daarom alleen tot straat- klinkers te bakken. De iets oudere binnendijkse kleien in Utrecht en Zuid-Holland zijn fijnkorreliger; vandaar dat hier veel dakpannen werden gefabriceerd. Hetzelfde geldt voor de oligocene klei in Achterhoek en Twente: vette ijzerrijke klei waar het pyrietgehalte wel eens problemen geeft; de klei, vers uit de groeve, moet dan eerst op storthopen ‘rijpen’ alvorens verder te kunnen worden verwerkt.
De antieke volkeren kenden al wel dunne platte tegelachtige bakstenen, die van zeer goede klei werden gebakken. De Romeinen gebruikten daarvoor ten onzent de Tegelse klei (het dorp heeft zijn Romeinse naam Tiglia behouden!) maar men kon weinig beginnen met de veel minder goede kleisoorten uit het lage westen van ons land. Het Noorden lag buiten het Romeinse rijk. Daar werd ook pleistocene klei door de inwoners uitgegraven: de potklei, waaruit de kogelpotten werden vervaardigd. Paterswolde ( Potterswolde) ontleent zijn naam aan deze bedrijvigheid.
Tot in de 12e eeuw werden gebouwen opgetrokken van hout of van dure geïmporteerde natuursteen (met uitzondering van Zuid-Limburg, dat vanouds steengroeven bezat); een enkele maal- werd ijzeroer of zwerfsteen materiaal van locale herkomst toegepast. De uitvinding van de baksteen hebben we te danken hoogstwaarschijnlijk aan Deense cisterciënzer monniken, ca. 1145. Via de kloosterlingen verbreidde het baksteengebruik zich zeer snel; tot de oudste Nederlandse baksteen moet die van het cisterciënzer klooster nabij Rinsumageest in Friesland behoren, welke uit ± 1163 dateert. Die oudste bakstenen moesten dezelfde maat hebben als de natuurstenen blokken en waren daarom heel groot, werden kloostermoppen genoemd; naderhand slonk het formaat.

Rode klei uit de Bontzandsteentijd, het oudste deel van de Trias, vinden we in het Vossenveld, beoosten Winterswijk. Het helrode gesteente is daar door een dunne dekzandlaag bedekt; we moeten het dus van b.v. het inkuilen van gras hebben om het te zien te krijgen, of zelf de schop ter hand nemen. Fossielen bevat dit woestijnsediment niet.

Glauconietklei wordt klei genoemd die groenig is van de vele glauconietkorreltjes. Zulke klei vinden we bijvoorbeeld in het Midden-Krijt bij Winterswijk, en ook in allerlei tertiaire kleisoorten van Twente en Achterhoek. Kleirolstenen kunnen ontstaan wanneer er uit een kleilaag stevige brokken klei worden gespoeld; in het oppervlak van deze kleiballen kleven al spoedig grindjes vast,

die de kleirolsteen pantseren tegen verdere uitspoeling. Rolstenen van glauconietklei zijn in zandgroeven in Westerwolde en langs de Hondsrug volstrekt niet zeldzaam. Soms bevatten ze sponsnaalden en foraminiferen of andere fossielen welke de ouderdom voor deze rolstenen uitwezen. Bij Wageningen bevatte een dergelijke kleiklomp, gevonden door Lorié, een rhynchonellaachtige brachiopode; wel zeker was deze kleizwerfsteen uit de Jura van Frankrijk afkomstig. Boekschoten en Huizinga (1971) vonden een eocene kleirolsteen bij Ellertshaar. Een verwaarloosde groep onder onze sedimentaire zwerfstenen, waarin zeker nog ontdekkingen mogelijk zijn.

Glimmerklei bevat naast wat glauconiet myriaden blaadjes van zilverig glanzende muscoviet. Vooral wanneer men de klei uitzeeft, valt het hoge glimmer- gehalte op. Alhoewel reeds het Oligoceen van Achterhoek en Twente wat glimmerklei bevat, is het Mioceen het tijdvak bij uitstek waarin deze kleisoort is gevormd. Behalve in de vaste ondergrond komen er ook niet zelden rolstenen van voor in Noord-Nederlands grind. Het glimmer is waarschijnlijk ontleend aan de precambrische gesteenten van Fennoscandië; de veldspaten daarvan werden in kleimineralen omgezet, de kwartsen tot zandkorrels gebroken.

In Nederland worden nog wel meer kleitypen onderscheiden; zo de katteklei die veel verweerde pyriet bevat (zie melanteriet) en waarop in het geheel niets groeien wil; ook de rodoorn, stoffige ijzerrijke rossige klei die weinig vruchtbaar is.

Schalie wordt min of meer verharde klei genoemd; de grens naar klei is niet scherp. Een zeer typische schalie tonen ons de Carboonontsluitingen aan de rechterdalwand van de Geul bij Epen; grijze, min of meer gelaagde brokkelige en schilferige gesteenten, min of meer schelpvormig brekend en met de nagels gemakkelijk te bekrassen. Sommige lagen bevatten veel fijn zand.
Schalielagen die niet zo schilferig breken worden wel kleisteen genoemd. Als zwerfsteen komt schalie nauwelijks voor; het is te zacht om de schurende en brekende werking van riviertransport te weerstaan, en te hard om door indeuking een pantser van grindkorrels (zoals bij kleirolstenen) te verkrijgen. Alleen in keileem komen, zij het zeer zeldzaam, schaliezwerfstenen voor.

Aluinschalie is eenmaal door Bonnema bij Hemelum gevonden. Het gesteente is dungelaagd (vandaar ook de betiteling aluinlei; zie over het gebruik van het woord hieronder) en bevat talrijke resten van de trilobiet Agnostus waarmee de boven-cambrische ouderdom bepaald kon worden. Dergelijke zwarte gesteenten zijn in het zuidelijk deel van Zweden als ook bij Oslo nog aanwezig; in Zweden wordt uit de onverweerde schalie aardolie en uranium gewonnen, de verweerde schalie leverde vroeger aluin.

Graptolietenschalies komen in verschillende typen voor, welke door hun graptolietinhoud worden gekarakteriseerd. Kruizinga (1918) vermeldt ordovicische zwerfstenen met Climacograptus en Dicellograptus, en silurische met Retiolites of met Pristiograptus. In totaal is er een vijftiental van gevonden in de keileemontsluitingen van onze noordelijke provincies. Aangezien het hier zeer opvallende zwerfstenen betreft is het aantal vondsten eerder geflatteerd dan krap, in verhouding tot andere minder in het oog springende erratica.

Wealdenschalie komt in Nederland bij Glanerbrug aan de dag en beslaat bij Bentheim vrij grote oppervlakken. Het zachte materiaal is leverkleurig en bevat soms zeer veel ostracoden, typerend voor de brakwaterlagen op de grens tussen Jura en Krijt in Noordwest-Europa. Bewerker vond te Sibculo een karakteristiek zwerfsteentje.

Leisteen noemen we uit klei ontstane gesteenten, welke onder invloed van hogere drukken en temperaturen reeds enige metamorfose hebben ondergaan. Het zijn dus metamorfe gesteenten, die in dit hoofdstuk niet thuishoren. Doordat de kleimineralen en de (daaruit ontstane) glimmers alle uit platte plaatjes bestaan kunnen deze bijzonder goed gericht raken; de plaatjes stellen zich loodrecht op de drukrichting op. Hierdoor komt de uitnemende splijtbaarheid van de leisteen tot stand. Het woord lei wordt echter ook gebruikt voor een verscheidenheid van fijnkorrelige goed in platte platen splijtende gesteenten die volstrekt niet metamorf zijn. Hiertoe behoren veel paleozoïsche ‘leiden’, zoals kiezellei.

 

 

 

 

105A. Graptolieten: Monograptus en Rastrites.

Kiezellei is een in onze grindlagen veel voorkomend gesteente; Maasafzettingen bevatten 1 â 2%, Rijnafzettingen 4 â 5%, terwijl grinden van oostelijke herkomst zelfs 6 â 8% kiezellei bevatten. Het is een aantrekkelijk zwerfsteentje, in het oog vallend door de veelal intens zwarte kleur, het zachte glanzen, het glad aanvoelend oppervlak en de leuke rechtkantige vorm die zelfs dobbelsteenachtig kan worden. Vaak wordt de niet zelden aanwezige gelaagdheid van de zeer fijnkorrelige grondstof nog doorbroken door levendige witte kwartsadertjes; zulke grindjes kunnen, gepolijst, ware siersteentjes worden. Onze kiezelleien zijn opgebouwd uit dichte chalcedoon met wat opaal en kwarts. Resten van organisch slik, omgezet in kolige substantie, kunnen kleuring teweeg brengen; maar de hoofdoorzaak van de kleuring is volgens Schwarz (1929) een gering gehalte aan kleimineralen. Het pigment is in ieder geval zeer goed tegen verwering bestand; op onze heidevelden liggen roetzwarte kiezelleien voor het oprapen, die toch al duizenden, zelfs tienduizenden jaren aan weer en wind zijn blootgesteld.
De zwarte typen worden lydiet genoemd, naar Lydië in Turkije, vanwaar vroeger de goudsmeden toetsstenen (zie foto 68) verkregen om het gehalte van gouden voorwerpen te bepalen. Langs het gladde oppervlak van zulk een zwarte steen werd het te toetsen metalen object gewreven zodat er een metalen streepje op achterbleef. Naast deze streep werden met stiften van bekend goudgehalte andere strepen gezet. Een paar druppels zwavelzuur losten de minder edele metalen op, maar lieten het goud onaangetast. Door vergelijking met het verbleken van de strepen van bekend gehalte werd dan de samenstelling van het getoetste object geschat, op den duur ook zonder vergelijken naarmate de edelsmid ervarener werd.
Naast dit zwarte type komen bruinige en grijzige ook veelvuldig voor; deze laatste kiezelleien zijn vaak nog fraaier gelaagd dan de effen zwarte.

Radiolariet worden die kiezelleien genoemd waarin reeds met het blote oog fossiele radiolariën (zie foto 89) onderscheiden kunnen worden. We ontwaren ze als witte stipjes, wat uitverweerd soms omdat ze blijkbaar minder hard waren dan het omgevend gesteente - maar in andere rolsteentjes blijkbaar juist harder dan dat en kleine verhevenheden vormend. Met een sterke loupe merkt men honderden ronde plekjes op; door het microscoop tenslotte toont het slijpplaatje (foto 69) dat de radiolariën veelal nog zeer goed bewaard waren gebleven. Men heeft wel gemeend dat de (schaars voorkomende) roodgekleurde radiolarietzwerfsteentjes beter bewaarde kiezelskeletjes zouden bevatten, maar dat is niet het geval; de conservatietoestand en de kleur zijn in dit geval onafhankelijke grootheden.
Alle kiezelleizwerfsteentjes zijn klein, en ongeveer blokvormig; een steen van meer dan 10 cm lengte is al heel wat. Een enkele maal zijn de kiezelleitabletten reeds in het gebergte door kwarts verkit, en dan kan men grote prachtstukken vinden, zoals de op foto 70 afgebeelde vondst van Van der Lijn. Het verschijnsel van sterke verbrokkeling valt ook sterk op in het Sauerland, waar kiezelleien in het Onder-Carboon (de zgn. Kulm) wel weggegraven zijn voor macadamgrind, zonder dat er een steenbreker aan te pas hoefde te komen. Daar vinden we er ook mangaanoxydeconcreties in, zoals die thans nog op diepten van duizenden meters op de bodem van de diepzee liggen. Vermoedelijk moeten we in kiezellei een afzetting zien van diepzeeslib, zo diep gevormd dat de koolzuurrijkdom van het zeewater ieder kalken schelpje, elk kalkig partikeltje oplost, zodat een kalkvrij kiezelslik op de zeebodem blijft liggen. Zo’n afzetting is ook de bruine (soms rode) diepzeeklei van de recente oceanische bodems.
De herkomst en ouderdom van de door de Maas aangevoerde kiezelleien (men zij bedacht op de mogelijke verwarring met toermalijngesteenten) is onzeker; ze bevatten kwartsadertjes, zijn dus wel ouder dan het Perm; in de carbonische Andenneconglomeraten komen ze voor, maar in de devonische conglomeraten mankeren ze. Een onder-carbonische ouderdom lijkt aannemelijk, maar dit vermoeden behoeft meer gegevens om zekerheid te worden.
De kiezelleien van de overige riviergrinden zijn zonder twijfel af te leiden uit Midden-Duitsland, waar het Onder-Carboon ze in grote hoeveelheden bevat. Wellicht zijn sommige kiezelleien via een omweg hier te lande geraakt; de boven-carbonische conglomeraten namelijk zijn zeer rijk aan rolsteentjes ervan die bij desintegratie van de grindsteen weer verder weg konden worden gespoeld. Reeds Oostingh (1921) wees op de mogelijkheid dat er silurische kiezelleien onder ons materiaal zouden kunnen schuilen. Door de vondst van Bless (1963) bij Mill van een kiezellei met Monograptus en Climacograptus werd dit vermoeden bewaarheid. De herkomst van dit steentje kan Duits zijn, maar ook Belgisch; enkele vondsten van de Brunssumerheide stammen vrij zeker van Hoei aan de Belgische Maas.
Tenslotte: wie wil zien hoe de schoonheid van kiezellei kunstig is verwerkt, bezoeke het oude stadje Elburg. Voor de woonhuizen aldaar ziet men stoepen van witte kiezel en zwarte lydiet, in patronen gelegd, een plaatselijke eigenaardigheid die een bijzonder aantrekkelijke aanblik biedt.

Mergel

Onder deze naam moeten wij gesteenten samenvatten die voor de helft uit kleisubstantie en voor het overige uit kalk bestaan; enige bijmenging van wat fijn zand kan wel voorkomen. Zulke gesteenten vinden we in Nederland praktisch niet, noch als zwerfsteen, noch als vast gesteente; nog het dichtst erbij komen vroeger bij Losser ontsloten lagen uit het grensgebied tussen Jura en Krijt, het zgn. Wealden. Met de aanduiding mergel wordt echter in ons land algemeen bedoeld zachte kalksteen; de Mergellandroute voert ons langs ontsluitingen daarvan, en uitgemergelde grond is bij gebrek aan tijdige bemesting kalkvrij geworden. Voor het huishoudelijk gebruik is deze betekenisverschuiving van geen belang; voor de beoefenaar van de aardkunde is het echter lastig dat Duitse mergel en Engelse marl zo sterk verschillen van Nederlandse mergel in de huis-, tuin- en keukenzin.

Kalkstenen en dolomieten

De kalkstenen vormen een grote en belangrijke groep van sedimenten die we in ons land jammer genoeg niet goed kunnen leren kennen. We moeten ons er mee tevreden stellen dat we zeer ruim bedeeld zijn met zeer interessante vormingen van de zand-, klei- en veengroepen en ons voor grote kalksteenontsluitingen maar naar onze buurlanden begeven. Toch is er in de Limburgse Krijtkalkstenen veel interessants te zien; de tamelijk schaarse kalksteenzwerfstenen vormen een gevarieerd scala van merkwaardige gesteenten. Er valt dus toch wel wat voor de liefhebber te beleven en bovendien maakt het veelvuldige voorkomen van fossielen in — zowel als de zeldzaamheidswaarde van — kalksteenzwerfstenen deze objecten tot zeer gewilde pronkstukken in de verzamelingen.
Veel kalkstenen zijn rijk aan versteende schelpen, of bevatten de afdrukken ervan; sommige zijn zelfs grotendeels of geheel uit resten van planten of dieren opgebouwd. De aard van deze fossielen vormt een zeer belangrijk kenmerk voor de bepaling van de ouderdom en herkomst van kalksteenzwerfstenen. Wie zich met kalkstenen bezighoudt zal dus zich goed in de fossielen moeten inwerken. Het hoofdstuk daarover in dit boek is een inleiding daartoe, waarmee men op weg kan komen; gezien echter de geweldige variatie en veelheid van het overgeleverde doet men er goed aan ook eens de stukken in de vitrines van de musea te Amsterdam, Denekamp, Enschede, Groningen, Haarlem en Maastricht te bestuderen. Bovendien zijn er gespecialiseerde boeken over dit onderwerp, zoals dat van Hucke & Voigt (1967) of dat van Neben & Krueger (1971). Een zeer belangrijke eigenschap van kalkstenen is hun oplosbaarheid. Koolzuurhoudend grondwater lost de calciumcarbonaten op; in kalksteenrotsen ontstaan dan de karstverschijnselen, zoals de druipsteengrotten van Remouchamps en Han. Minder spectaculair, maar evenzeer tot de karstfenomenen behorend zijn de geologische orgelpijpen (lange rechtopstaande met zand en klei gevulde cylindrische gaten in de kalkstenen van Zuid-Limburg) en de karrenvelden (zeer onregelmatige oppervlakken van de kalksteenformatie beoosten Winterswijk). Een gevolg van dezelfde oplossingsverschijnselen is dat we kalksteenzwerfstenen alleen vinden in kleirijke keileem of in zeer diepe zand- groeven en zandzuigerijen. Op de heide of in ondiepe grindgraverijen hoeven we niet naar kalksteenzwerfstenen uit te zien! Zo komt het dat de kalksteenzwerfstenen van ons land uit betrekkelijk weinige vindplaatsen afkomstig zijn. Zwerfstenen van noordelijke herkomst (veelal voorzien van fraaie gletsjerkrassen) zijn vooral gevonden te Groningen en Haren, in ‘t Gaasterland, in de Noordoostpolder, in Twente en bij Winterswijk — steeds in keileem. In het grind van oostelijke herkomst mankeren merkwaardigerwijs kalkstenen geheel; het grind van Maas en Rijn bevat ze wel, maar dat zijn meestal grote stenen met een dikke lemige verweringskorst. Deze laatste komen vooral van diepe zandgroeven, zoals te Maarn, bij Rhenen en bij Nijmegen maar ook (en dan nauwelijks tot niet verweerd) uit de grindzuigerijen in de Maas, zoals die van de Spoorwegen bij Linne. In Zuid-Limburg bleven de kalksteenzwerfstenen wat beter bewaard, omdat de grindterrassen door het lössdek enigermate beschermd waren tegen de oplossende invloed van doorsijpelend koolzuurhoudend grondwater.

Cambrische stinkkalk is een zeldzame verschijning, opvallend door de roetzwarte kleur en de olieachtige reuk die de steen bij aanslaan verspreidt; bitumineus zijn trouwens ook de veel jongere kolenkalkstenen, als stoepsteen welbekend. De cambrische zwerfstenen uit het keileem van Friesland, Groningen, Noordoostpolder en Twente vooral bevatten bijna steeds trilobieten, waarvan men eerst de soort moet vaststellen, wil men ouderdom en herkomst bepalen. Vermeld worden kalkstenen met Agnostus, Conocoryphe, Leptoblastus en Peltura; de laatste zijn nog het minst zeldzaam, maar in totaal zijn er toch niet meer dan een dertigtal zwerfstenen van stinkkalk aangetroffen. Het herkomstgebied is Zuid-Zweden of het Oslogebied, of ook de zeebodem grenzend aan deze streken.

 

 

 

 

106. Orthoceren uit noordelijke kalkstenen.

Orthocerenkalksteen is een ordovocisch gesteente, gekenmerkt door het talrijk daarin voorkomen van grote orthocerenschelpen erin. Het meest typisch zijn de donkerrode zwerfstenen waarvan in Nederland enkele prachtstukken gevonden zijn (onder meer door Freudenthal te Winterswijk), maar ook grauwgrijze variëteiten komen voor. Aangezien grote rechte nautiloïden niet tot orthocerenkalksteen beperkt zijn moeten we in het algemeen toch afgaan op fossiele trilobieten, teneinde zekerheid te krijgen. Vooral typisch is de grote Megalaspis (of Megistaspis), andere genera die vermeld worden door Kruizinga (1918) zijn Asaphus, Illaenus, Nileus, Niobe en Pterygometopus. Er zijn overigens nog veel meer ordovicische kalksteenzwerfsteensoorten met deze en dergelijke trilobieten, welke men met het eerder genoemde werk van Neben en Krueger (1971) op naam kan trachten te brengen.

De orthocerenkalken nemen vooral in Zweden en op de Oostzeebodem vrij grote oppervlakken in beslag. Ze worden in grote steengroeven uitgebroken, zo b.v. aan de Kinnekulle en op Oeland. Die rode kalksteenplaten gaan per coaster ook naar Nederland toe, waar we in villatuinen de aantrekkelijke flagstones weervinden, compleet met orthoceren en trilobieten. Zo heeft men de kans bij de steenhouwer fraaie ordovicische fossielen te verzamelen.

107. Op het afgevlakte praecambrisch grondgebergte liggen concordant Cambrium, Ordovicium en Siluur, beschermd door een dek van wellicht devonische bazalt. Naderhand ontstond bij Billingen nog een breuk. Naar Thorslund (1960).  

Echinosphaerietenkalk heet naar de ronde fossielen van de primitieve stekelhuidige Echinosphaerites (zie bij de fossielen) die meestal van binnen met calciet gevuld zijn, waardoor het grauwe gesteente een conglomeraat lijkt van louter knikkers van 3 â 4 cm diameter. Een zeldzaamheid, slechts enkele vondsten; Krul (1954) meldt er een van Borne. Zie Fig. 288.

Ordovicische beyrichiënkalksteen wordt aldus geheten naar het voorkomen daarin van allerlei ostracoden, verwant met Beyrichia. De stenen zijn grijs tot lichtrood, bevatten ook weer allerlei trilobietensoorten naast wat andere fossielen. Hun oorsprongsgebied is wellicht het Kalmar Sont. Bij Groningen komt deze kalksteensoort niet voor; zoveel te meer in Gaasterland, waar Bonnema er 77 zwerfstenen van aantrof. Deze geleerde, kenner der paleozoïsche ostracoden bij uitstek, kon de keien onderscheiden op grond juist van de aard van de fossiele beyrichiën. Dusdanig micropaleontologisch onderzoek valt buiten het kader van het Keienboek; zonder microscoop en vakliteratuur zijn deze zwerfstenen niet van andere te onderscheiden.

Oostzeekalk is een dichte lichtgrijze of geelgrijze soms roodgevlekte kalsteensoort, die schelpvormige breukvlakken vertoont en daarom vroeger door Harting (1853) voor Jura-kalksteen is gehouden, zo veel lijkt het gesteente op de lithografische kalksteen uit Beieren. De fout was gemakkelijk te maken, want Oostzeekalk bevat slechts spaarzaam fossielen (wat kalkalgen, trilobieten, brachiopoden) en veel stukken zijn fossielloos. Harting’s dwaling behoede ons ervoor om elke fossielloze kalksteen van noordelijke herkomst voor Oostzeekalk te houden! Intussen zijn de zwerfstenen ervan in Noord-Nederland volgens Kruizinga (1918) niet bijzonder zeldzaam, en de fossielen erin zijn zeer fraai bewaard. De Poolse paleontoloog Kozlowski ontdekte er voortreffelijk geconserveerde graptolieten in, welke vastgehecht op schelpen e.d. leefden en tot nog toe alleen uit zwerfstenen bekend zijn. De kalksteen is van de Oost- zeebodem ter hoogte van Stockholm afkomstig.

Palaeoporellenkalk is nauw verwant met Oostzeekalk, ongeveer even oud maar veel gemakkelijker te herkennen: in de dichte meestal lichtgrijze kalksteenmatrix zien we talloze doorsneden (Fig. 108) van de kalkalg Palaeoporella. Er komen ook andere algsoorten zoals Dasyporella en Vermiporella in voor. Vaak bestaat vrijwel het gehele gesteente uit de glazig-calcietische algenfossielen en het is dan ook een goed voorbeeld van organogene kalksteen. Ondergeschikt komen wat ostracoden, trilobieten en brachiopoden voor. Een aantrekkelijke en veel voorkomende zwerfsteen, waarvan bij het Museum op Schokland zelfs een meer dan een meter groot zwerfblok ligt! Op het vasteland van Fennoscandië komt het niet voor; de oorsprong moeten ordovicische lagen op de bodem van de Oostzee vormen.

108. Doorsneden van Palaeoporellageledingen aan de oppervlakte van een kalksteenerraticum.

109. Vermiporella, 6 x vergroot, naar Stolley.

Jewese kalksteen is slechts enkele malen in de Noord-Nederlandse keileemlagen gevonden. Het is een kiezelrijke, dichte, lichtgrijze kalksteen genaamd naar Jöhwi (vroeger Jewe) in Estland. Er komen veel kolonievormende bryozoa (door Sissingh, 1967, beschreven) en slakkenhuizen in voor.

Leperditiakalksteen ontleent de benaming aan de karakteristieke ‘boontjes’ van de grote ostracode Leperditia (zie Fig. 283). Zwerfstenen ervan zijn niet algemeen, maar worden toch regelmatig gevonden. Ze zijn alle silurisch, maar behoren niet alle tot dezelfde etages van dit tijdvak. Dat blijkt dan door bestudering van de ostracoden (beyrichiën) in de zwerfstenen, die allerlei verschillende ouderdommen uitwijzen. Meestal zijn het lichtgrijze kalkstenen, welke uit de Oostzeebodem tussen Oeland en Estland moeten worden afgeleid.

Megalomus-kalk en Ilionia-kalk zijn zeldzame kalksteensoorten uit het Onder-Siluur, gekarakteriseerd door de enorme kleppen van twee verschillende bivalven. Op Gotland en Sarema zijn ze nog in grijze kalkstenen te vinden, en daar komen ze ook in onze schaarse vondsten in voor.

pict1.jpg

110. Doorsnede van het Oostzeebekken, van zuidelijk Zweden naar Finland.

Koralenkalk bestaat grotendeels of geheel uit de resten van Heliolites, Favosites, Thecia of/ en Halysites naast kalkalgen en stromatoporen. Hoewel zulke organismen ook veel in het Boven-Ordovicium voorkomen, moet toch een groter deel uit het Siluur afkomstig zijn. Op Gotland treffen we schitterende rifformaties aan welke geheel opgebouwd zijn uit deze fossielen. De herkomst van onze erratica zal in de Oostzeebodem tussen Gotland en Estland moeten worden gezocht. Nauwkeurige ouderdomsbepaling kan slechts geschieden door precieze determinatie van de fossielen, waaronder ook kalkalgen voorkomen zoals Sphaerocodium (Fig. 111).
Door hun fossielinhoud trokken de koraalkalken reeds vroeg de aandacht. Groningen is er een goede vindplaats van en Goldfuss (1832), Roemer (1858) en Martin (1878) hebben daarvandaan. tal van versteende koralen voor het eerst beschreven. Ook thans zijn er nog interessante stukken in bouwputten en andere tijdelijke ontsluitingen op het noordeinde van de Hondsrug in het keileem te vinden. Een andere goede vindplaats is de Noordoostpolder, vooral nabij Urk.

Crinoïdenkalksteen is vooral bij Groningen niet zeldzaam; in de overige keileemgebieden treden deze zwerfstenen, bestaande uit talloze zeeleliestengelleden minder veelvuldig op. Typisch is de spatige breuk van deze rolronde schijfjes; aangezien ze uit één calcietkristal zijn opgebouwd, splijten ze langs een glasglanzend splijtvlak. Steenhuis vermeldde een steellid van 3 cm diameter, maar de meeste zijn veel kleiner. Op Gotland zowel als op Sarema bevatten de silurische afzettingen niet weinig lagen en lenzen van crinoïdenkalksteen, zodat een herkomst uit deze streken wel aannemelijk lijkt.

Grijsgroene graptolietenkalk is een fijnkorrelige, vrij dichte, groengrijze mergelige kalksteen die schelpvormig breekt. Vermoedelijk moeten ze beschouwd worden als kalkconcreties in een mergelformatie welke zich ten zuidoosten van Schonen op de bodem van de Oostzee zou moeten bevinden. Bij het aanslaan van de zwerfstenen vallen de prachtig bewaarde graptolieten direct op; aan de hand daarvan kon Kraft (1926) voor het eerst de levensloop van Monograptus reconstrueren. Jaeckel (1889) en Kühne (1955) ontdekten tal van nieuwe soorten graptolieten erin en men kon van veel reeds van elders bekende vormen uit de zwerfstenen een helder beeld winnen, dankzij de uitstekende conservatie van deze tere fossielen. Het moet worden betreurd dat deze door de aanwezigheid van Monograptus (= Pristiograptus, zie Fig. 105) gekarakteriseerde silurische erratica zo zeldzaam zijn; enkele vondsten in het Gaasterland, in de Noordoostpolder en in Twente, dat is alles. Wie volhoudt, kan ze echter zeker vinden!

111. Sphaerocodium in kalksteen, links op slijpvlak, rechts op breuk.

112. Beyrichiën, 3 vergroot.

Gotlander oöliet is het eerste voorbeeld van een kuitsteen, (ovum = ei, lithos = steen) dat we tegenkomen. Het hele gesteente bestaat uit aaneengekitte ronde korreltjes, welke tot 2 mm diameter bezitten en op doorsnede uit talloze dunne concentrische schaaltjes blijken te bestaan. Dergelijke kalkneerslag ontstaat in ondiepe warme zeeën, met veel waterbeweging; de korrels of oöieden zijn dus chemische vormingen, geen resten van levende wezens. Fossielen treffen we in deze oölieten niet zo veel aan; het meest nog Leperditia. Zeer zeldzame grijsgekleurde zwerfsteen, afkomstig van een klein gebied om zuidelijk Gotland heen. De grootste zwerfsteen komt van het Urkerland, meet 40 cm lengte, de andere uit Twente, de Hondsrug, Gaasterland en Winschoten zijn kleiner.

Beyrichiënkalksteen draagt deze naam naar de Beyrichiën (Fig. 112), welke in de zeer talrijke stukken van deze gewoonste onzer kalkzwerfstenen heel algemeen voorkomen. Volgens Martinsson (1967) is dit gesteente met de karakteristieke Hemsiella maccoyana (naast twaalf andere ostracodensoorten) jonger dan de Gotlandse koraalkalk en - oöliet, en behoort tot de bovenste lagen van het Siluur in het Oostzeegebied. Dat is op het vasteland niet meer ontsloten; de herkomst van onze beyrichiënkalkstenen moet dan ook op de Oostzeebodem ten Zuiden en Zuidoosten van Gotland worden gezocht.
De zwerfstenen zijn over het algemeen plat-schijfvormig, het gesteente is goed gelaagd. Wil men het splijten dan zijn een paar korte hamertikken op de smalle zijde van de zwerfsteen haast altijd voldoende; slaat men zo’n steen op de brede kant aan, dan is na veel mokeren slechts een verbrijzelde kalksteen het resultaat!

Een splijtvlak van de meestal lichtgrijze beyrichiënkalksteen toont altijd een aantrekkelijk scala van goedbewaarde fossielen. Met de loupe kan men zo’n oppervlak afgrazen en het is verbluffend hoe veelvuldig en variabel de fossielen van plekje tot plekje zijn. Het algemeenst zijn wel de ostracoden, naar wie het materiaal benoemd is; het is leuk werk mannelijke en vrouwelijke individuen te proberen te onderscheiden (zie bij de fossielen). Heel gewoon zijn de schelpen van Chonetes (zie foto 94), en kalkstenen die rijk aan dat fossiel zijn noemt men wel chonetenkalk. Andere stukken bevatten weer talloze schelpjes van Camarotoechia (vroeger Rhynchonella genaamd), een aantrekkelijk brachiopoodje met stevige radiaire ribbels. Craniops (= Pholidops, zie Fig. 190) is algemeen aan te treffen, en ook Dalmanella (Fig. 193) komt niet zelden voor. Vooral bij Groningen vallen naast al deze brachiopoden de brede linten van de bryozo Ptilodictya op; voeg daarbij nog de niet zeldzame trilobieten (zoals Calymene en Encrinurus), de veel voorkomende tentaculieten naast nog bivalven en slakkenhuizen, en men weet dat de beyrichiënkalkzwerfstenen ons een bijzonder boeiende blik in de uitgestorven dierenwereld van het Siluur bieden.

Baltische dolomiet is een vooral bij Groningen niet zo bijzonder zeldzame zwerfsteen, in witte, groenige of (vaker) rose kleur. Het gesteente is wat suikerkorrelig, bevat vaak holtetjes waarin nestjes van calciet en! of dolomiet aanwezig zijn; vermoedelijk was het oorspronkelijk een kalksediment, dat echter tijdens of kort na de sedimentatie in zeer ondiep zeewater dolomitisatie onderging, d.w.z. dat een deel van het calcium van de calciet vervangen werd door magnesium. Bij deze omzetting verdwenen alle schelpen en vervaagde de structuur van het gesteente zelf. Alleen de (uit fosfatische materie bestaande) pantserplaten, tanden en graten van de pantservissen bleven achter en die kunnen we vooral met de loupe in deze stenen goed bewaard aantreffen. Heel mooi is vaak de oppervlaktesculptuur van de pantserplaten van deze geheel uitgestorven groep van gewervelde dieren.
Vermoedelijk dateren de buiten het keileem van de noordelijke Hondsrug zeer zeldzame zwerfstenen uit de grenslagen tussen Siluur en Devoon, alsmede uit het Onder-Devoon, en komen ze oorspronkelijk van de Oostzeebodem ter hoogte van Latvia (Litauen).

Devonische kalksteen is de oudste welke wij in de grindlagen, door Maas en Rijn in Zuid- en Midden-Nederland afgezet kunnen aantreffen. Vooral in de grindzuigerijen (Rijndal bij de Bijland, Maasdal bij Linne) zijn zulke kalk- stenen tamelijk gewoon, en weinig verweerd; in zandgroeven zijn ze veel zeldzamer. Soms zijn de meestal grauwe gesteenten duidelijk gedolomitiseerd. De ouderdom kunnen we pas vaststellen als we de in de zwerfstenen voorkomende fossielen bestudeerd hebben; daar is nog weinig aan gedaan, zonder twijfel ligt hier voor een specialist nog een heel werkterrein open. Wel zeker is dat kalkstenen met Heliolites of Hexagonaria, of met de brachiopode Stringocephalus uit het Midden-Devoon van Maas- en Rijngebied stammen. Zulke vondsten zijn schaars; maar ten onzent, zoals gezegd, zijn deze zuidelijke kalkstenen nog niet nauwkeurig bestudeerd. Boven-devonische zwerfstenen uit de Ardennen zijn b.v. wel zeker te verwachten, maar nog niet aangetoond.

Petite granite is de steenhouwerbenaming ( kleine graniet) van een hoogst karakteristiek gesteente uit de basale lagen van het Onder-Carboon van vooral het Belgische Maasdal, maar ook dat van de Duitse Roer. Het wordt daar in grote steengroeven uitgebroken, en werd vooral in het begin van deze eeuw overal toegepast: als stoepsteen, grafzerk, dorpel, sluitsteen, gevelornament vindt men het aan oudere gebouwen, niet zelden met de ‘versteende honingraten’ van de koraal Michelinia erin. Het gesteente vers uit de groeve is blauwig grijszwart en flonkert door de aanwezigheid van talloze splijtvlakjes van zeeleliestengelleden (zie Fig. 293) die een groot gedeelte van het gesteente opbouwen. Ze doen denken aan de spiegelende veldspaatsplijtstukken op breukvlakken van graniet, maar zijn veel kleiner dan de meeste van deze, vandaar de benaming. Wie goed zoekt in zo’n blauwe stoepsteen vindt niet alleen losse stengelleden, maar ook hele brokken van stelen. Petite granite is een echte crinoidenkalksteen, net als de silurische uit het keileem een typisch organogeen gesteente. Het verschilt daarvan door de typische reuk van bitumen bij het aanslaan van de petite granite, een luchtje dat bij de steenhouwer vaak hangt als dit materiaal verwerkt wordt.
Zwerfstenen van petite granite verschillen van het oorspronkelijk gesteente door hun veel lichtere kleur. Zonder twijfel is dit een verweringskwestie, daar de fossielinhoud (de brachiopode Spirifer, Fenestella-achtige bryozoën, het koraal Michelinia) geheel met die der vaste rotsen overeenstemt. De erratica zijn in Zuid-Limburg en bij Lobith niet bijzonder zeldzaam, maar komen verder stroomaf maar zeer sporadisch voor.

pict1.jpg

113. Geologisch schetskaartje van de oosthelft van België, naar Maileux.

Kolenkalksteen heet het dikke kalksteenpakket dat in de Ardennen, maar ook bij Düsseldorf als bergwanden (zoals de Bayardrots bij Dinant) ontsloten is. De vorming ervan vond plaats tijdens de eerste helft van het Carboon; het is de oudste formatie welke als vast gesteente uit Nederland (in boringen in Zuid- Limburg en bij Bergen-op-Zoom) bekend is. De zwerfstenen zijn dichte, grijze, blauwzwarte tot zwarte kalkstenen die met zoutzuur hevig opbruisen. Niet zelden zijn ze doorspekt met witte calcietaders en -nesten; bij verwering raken deze (evenals de fossielen) soms mooi uitgeprepareerd. De eigenaardige reuk van de petite granite kleeft ook aan deze zwerfsteensoort. Fossielen komen er regelmatig in voor; opvallend zijn Productus en Spirifer (zie foto 95), maar er komen ook kleinere voor zoals het koraal Lithostrotion, de bryozo Fenestella en andere.
Kolenkalkstenen zijn en worden zeer veel in de steenhouwerij verwerkt; bovendien zijn ze bij schepen vol (evenals sommige Devoonkalkstenen) uit het Maas- land aangevoerd om dijken en dammen te versterken. Niet alle Nederlandse kolenkalkvondsten zijn daarom zwerfstenen! De echte rolstenen zijn veelvuldig in het Limburgse aangetroffen; ten noorden daarvan zijn ze schaars tot bepaald zeldzaam. Soms bevatten ze lenzen van zwarte vuursteen of ftaniet (zie daar).

Kolenkalkoöliet werd door Van Straaten (1946) uit Zuid-Limburg gesignaleerd; bitumineus donkergrijs, rijk aan crinoïdenstengelleden welke met kalklaagjes zijn overtrokken, net als de echte oöieden. Uit het Onder-Carboon van de Ardennen afkomstige zeer zeldzame zwerfsteen.

Schelpkalksteen is een vertaling van het Duitse Muschelkalk, de benaming van de kalksteenformatie welke de bontzandsteenlagen overdekt en in de Midden-Trias is afgezet. Het gesteente komt in ons land alleen aan de oppervlakte ten oosten van Winterswijk, in een prachtige steengroeve; schelpen (Myophoria) zijn niet algemeen, sporen (Rhizocorallium) treffen we meer aan. Het zou ook wel vreemd zijn als in een bepaald tijdvak alléén maar kalkstenen uit schelpen zouden zijn gevormd! De Winterswijkse formatie is heel goed gelaagd, vaak in papierdunne stijve platen nog op te splitsen. De aanwezigheid van talrijke, soms metersdiepe krimpscheuren, welke nog tijdens de afzetting van het gesteente met (veelal iets rossiger, wellicht als stuifklei aangevoerde) kalksteenmaterie werden opgevuld, toont wel aan dat de vorming in zeer ondiep water plaatsvond en dat de schelpkalkzee zelfs zo nu en dan droogviel. Met het ondiep-water karakter valt het dolomietgehalte van sommige laag- pakketten uitstekend te rijmen; die bezitten vaak met calciet, dolomiet en pyriet geheel of gedeeltelijk gevulde holten.
Zwerfstenen. van typische Duitse schelpkalk, vol met Myophoria, zijn wel in de literatuur opgegeven van Maarn en Rhenen. Volgens Kruizinga (1918) bevatte deze laatste steen de typerende ammoniet Ceratites; nieuwere vondsten zijn nimmer beschreven en het stuk van Maarn is bepaald niet overtuigend. Aangezien de Main over lange afstand tussen schelpkalkrotsen stroomt, zouden toch wel enkele erratica daarvan kunnen worden verwacht.

Jurakalkstenen zijn schaarse verschijningen in onze grindlagen; ze werden alle door de Maas naar onze contreien gebracht, en komen uit Noord-Frankrijk. Het oudste is een door Scheres (1965) beschreven bruingrijze kalksteen met Liogryphea, gevonden in opgebaggerd grind te Linne. Deze eenling is zeker uit de Lias, de oudste onderafdeling van de Jura. De Molijn (1958) meldde een witte kalksteen met Trigonia en Astarte, die hij op Dogger (Midden-Jura) dateerde. De meeste Jura-kalkstenen zijn uit de Malm (Boven-Jura) afkomstig, hebben een witte of gelige kleur; typerend zijn kleine Astarte’s en stengeldelen van Millericrinus. Voorts worden opgegeven terebratulide en rhynchonellide brachiopoden, Ostrea, Cidaris en serpulide wormkokers naast de gastropoden Pleurotomaria en Nerinea. Bout (1958) vermeldde een steen met het koraal Stylina dat net als Thamnasteria wel eens als zwerfsteen los voorkomt. Deze laatste Malmkalkstenen komt men nog wel eens tegen, vooral in Limburg, minder in Brabant, Gelderland en Utrecht.

114. Geologisch schetskaartje van Limburg bezuiden het Geuldal; naar de Geologische Kaart.

Franse oöliet is fijnkorreliger dan de even zeldzame Gotlandse daar de oöieden niet groter dan 1 mm worden. Het zijn witte zwerfstenen die soms huizen van Nerinea bevatten. Enkele vondsten in Zuid-Limburg (Van Straaten, 1946), een bij Amersfoort (Bout, 1958).

Gulpens Krijt is de naam die aan de onderste helft van de kalksteenformatie uit de Krijtperiode in Zuid-Limburg wordt gegeven. Het schema hieronder geeft een overzicht van de lagen uit dat tijdvak in Zuid-Limburg, met het onder- en bovenliggende.

Het Boven-Krijt in Zuid-Limburg

Tijdvak en

etage

Formatie

Kenmerken

Tertiair

(Danien)

Geulhems Tufkrijt

Geen sauriërs noch ammonieten noch belemnieten

Krijt (Maestrichtien)

Maastrichts Tufkrijt

Mosasauriërs, reuzenschildpadden

 

Gulpens Krijt

Belemnietenkerkhoven

Krijt

(Campanien)

Vaalser groenzand

Schelpkernlagen

 

Akens zand

Verkiezeld hout e.a. plantenfossielen

Carboon (Namurien)

Schalie, zandsteen, kwartsiet van Epen

Primitieve ammonieten, kryptogamenflora

 

We zien dat de Krijtachtige gesteenten ook nog in de oudste lagen van het Tertiairtijdvak gevormd werden. Op het kaartje (Fig. 114) zien we de plaatsen waar het vaste gesteente in het Krijtland dagzoomt. Men mene niet dat op de aangegeven plekken kale rotsgrond het landschap bepaalt; enige decimeters losse grond bedekken de oude afzettingen vrijwel overal.
Het Gulpens Krijt is een spierwitte, echt krijtachtige kalksteenlaag, die enige stevige vuursteenknollen-niveau’s bevat, naast de interessante belemnietenlagen, die vooral bij Epen en Vijlen aan de dag komen. Zwerfstenen van de kalksteen zelf komen niet voor, dat is voor riviertransport al te zacht; de vuur- stenen zijn wijdverspreid.

Maastrichts Tufkrijt maakt het grootste deel uit van het Maestrichtien, de enige etage van de internationale tijdsschaal die op een Nederlandse formatie is gebaseerd (afgezien van enige onderverdelingen van het Kwartair). Van oudsher is deze laag beroemd om de zeer vele en zeer interessante fossielen; helaas is het merendeel ervan slechts als afdruk bewaard. Het gesteente bestaat uit tamelijk losse, uit fijne scherpkantige korreltjes opgebouwde zuivere kalksteen. Vers en nog vochtig is het tufkrijt gemakkelijk fijn te wrijven, de oppervlakken voelen dan ‘wreed’ aan net als bij tufsteen. Het laat zich in die toestand gemakkelijk zagen en tot blokken bouwsteen verwerken. Reeds de Romeinen exploiteerden het tufkrijt op deze wijze, en hierdoor ontstonden de geweldige ondergrondse gangenstelsels die thans grotten worden genoemd, doch eigenlijk onderaardse steengroeven zijn. Aan de dag blootgesteld wordt deze kalksteen vrij spoedig hard; zo bleef het daaruit opgetrokken spoorwegstation van Valkenburg reeds een eeuw lang goed in orde.
Vooral langs het Geuldal maar ook bij Bemelen en Rijckholt zien we talrijke schilderachtige ‘rotswanden’ van tufkrijt; de meeste, zo niet alle zijn verlaten steengroeven, soms eeuwen oud. Serieuze belangstellenden kunnen na vooraf gevraagde toestemming ook de in werking zijnde groeven wel betreden. Men onderschatte nimmer het gevaar voor afstortend gesteente.
In al die ontsluitingen vinden we fossielen, al zullen we wel zeer lang moeten zoeken om een Mosasaurus te vinden! Maar Orbitoïdes, Pyrgopolon, Pycnodonte, Turritella en Hemipneustes (zie het hoofdstuk over de fossielen) kan ook de meest onhandige verzamelaar wel bemachtigen. Fossielen die te koop worden aangeboden (vooral die uit oudere collecties) dient men kritisch te bekijken; met waterglas en tufkrijtpoeder kunnen kunststenen worden gebakken, die de meest vreemde kiezen en tanden bevatten
Het tufkrijt is in het algemeen niet duidelijk gelaagd. Enkele niveaus (‘dentalium’-laagjes, bestaande uit wormkokers van Pyrgopolon) vallen toch wel op; een beeld ervan geeft foto 71. Zeer interessant zijn de ‘hard grounds’ die men met enige oefening in de profielen wel terugvindt. Het is de Engelse benaming voor de harde oppervlakken die zich op de bodem van de Krijtzee tijdens een korte stilstand van de tufkrijtsedimentatie hebben gevormd. Kalkslib is nu eenmaal andere grondstof dan kiezelzand, dat over het algemeen pas onder hoge druk en! of bij hoge temperatuur aaneengekit raakt. Dat de bodem verhardde blijkt uit de talrijke boorgangen van wormachtige dieren en bivalven, welke de hard-grounds markeren. In die boorgangen bleven ook de teerste fossielen voor beschadiging gevrijwaard; daarom vormen de hard-grounds reeds jaren het jachtterrein van de Hamburgse paleontoloog Prof. Voigt, de grote bryozoënspecialist.
Zwerfstenen van tufkrijt vindt men nog geregeld langs de Limburgse Maas, zeer zelden echter in Utrecht en het Gooi; de slijtage tijdens het riviertransport was ongetwijfeld de reden voor het verdwijnen van de kalkstenen uit het Maas-zwerfstenengezelschap naarmate de reis langer werd.

Geulhems Tufkrijt was vroeger alleen uit boringen en mijnschachten in Limburg benoorden de Geul bekend, is echter door Hofker in de groeve Curfs bij Houthem ook ten zuiden van het beekdal ontdekt. Petrografisch is het tufkrijt niet veel anders dan dat van Maastricht; maar de fossielinhoud verschilt sterk van die der onderliggende lagen en gelijkt veel op die van het Deense Danien. In genoemde groeve vormt een hard-ground de grens tussen Maestrichtien en Danien, tussen Krijt en Tertiair, tussen Mesozoïcum en Kainozoïcum. Terwijl men in de lagen van Maastricht nog ammonieten, belemnieten en sauriërs vindt, bevat het tufkrijt van Geulhem reeds globigerinen die lijken op de thans nog levende. Wat er in deze korte tijdspanne is gebeurd is even geheimzinnig als intrigerend; er zijn boeken vol geschreven over het uitsterven, maar het laatste woord is er bij lange na nog niet over gezegd.

 

 

65. Cementkwartsiet (Zwerfsteen van Amersfoort). Grijsgeel kiezelgesteente met typische knolletjesstructuur; uit Rijn- of Maasstreken afkomstig.

 

 

66. Burnotconglomeraatlens in zandsteen (Zwerfsteen van Amersfoort). De 20 6 cm brede zwerfsteen toont een onderdevonische grindlens in kriskras gelaagd zand gebed. ‘t Naderhand verharde gesteente werd door de Maas aangevoerd. Vondst Van der Lijn collectie Geologisch Instituut Amsterdam.


 

 

67. Tuf met zandsteenbrokjes (Zwerfsteen van Arnhem). Typisch vulkanisch-klastisch gesteente met componenten uit de lava zoals kristallen van glimmer, veldspaat en hoornblende maar ook met uit de kraterpijp afkomstige brokjes zandsteen en lei. Zacht gesteente uit ‘t Rijngebied, wordt weinig als zwerfsteen gevonden.

 

68. Lydiet als toetssteen en als zwerfsteen (van Amersfoort). Het 6,3 cm lange toets- steentje toont nog de goudstrepen van juwelier Bolman te Hilversum. Uit de verzameling Van der Lijn, collectie Museum Schokland.


 

 

69. Slijpplaatje van radiolariet (Zwerfsteen van Amersfoort). Door de 20-malige vergroting zijn de ronde radiolariën duidelijk in de zeer fijnkorrelige kiezellei te onderkennen. Het gesteente is hoogstwaarschijnlijk uit het Onder-Carboon van Midden-Duitsland herkomstig.

 

 

70. Lydietbreccie (Zwerfsteen van Amersfoort). Meestal vinden we de zwarte kiezellei als losse, door diaklazen begrensde kuben; in deze 40 cm lange zwerfsteen heeft witte kiezel de geplooide lydietlaag bijeengehouden. Herkomst ‘t Onder-Carboon van Midden-Duitsland; vondst Van der Lijn, collectie Geologisch Instituut Amsterdam.


 

 

71. Pyrgopolonlaag (Steengroeve Curfs, Houthem). Een conglomeraat van uitgespoelde wormkokertjes en reeds op de bodem der Krijtzee verharde kalksteenbrokken; op deze laatste omkorstingen door bryozoa.

 

 

72. Gebande vuursteen (Zwerfsteen van Hoensbroek). Bij de vorming van een vuursteen-concreti ontstonden hardere en zachtere banden, die door verwering werden uitgeprepareerd. Herkomst de Krijtlagen van Limburg of de directe omgeving daarvan. Vondst Van der Lijn; collectie Geologisch Instituut Amsterdam.


Gruiskalksteen van Ignaberga is een Noordelijke zwerfsteen, ouder dan het tufkrijt maar pas hier behandeld om de trits Limburgse gesteenten niet te onderbreken. Deze kalksteen vormt de basis van het Boven-Krijt in het gebied van Kristianstad in Schonen; het gesteente bestaat uit afgerolde stukken en brokken van schelpen, bryozoën, zee-egels etc. vermengd met schilfers gneis en rol- steentjes van graniet. Een zeer zeldzame zwerfsteen, aangetroffen in Friesland en Twente.

 

Schrijfkrijt dient al lang niet meer tot dit doel, maar wordt toch nog zo genoemd. Het witte, zeer zuivere kalkgesteente is zeer zacht en bevat talloze coccolieten die echter pas met electronenmicroscopie goed bestudeerd kunnen worden. Andere fossielen (zoals oesters en belemnieten) zijn er zeer schaars in vertegenwoordigd. Allerlei formaties van het Boven-Krijt in Noord-Duitsland, Denemarken, Schonen, alsmede aan de Oostzeebodem bestaan er uit en ook het Deense Danien bevat ze zodat we de ouderdom van deze over het algemeen zeer zeldzame, maar locaal soms heel algemene (b.v. te Ureterp en bij Urk) erratica niet nauwkeurig kunnen bepalen. Wie schrijfkrijt vinden wil, moet in kalksteenrijke keileem zoeken.
Aan de krijtrotsen en langs de Oostzee (zo op Moen en Rügen) ziet men de snoeren vuursteen nog in het gesteente; als men ziet hoe veel vuursteen overal ligt, dan is er van het eertijds nog veel ruimer aanwezige schrijfkrijt nog maar bitter weinig over. Voor een deel moet het zachte gesteente door de walsende werking van het ijsdek zijn fijngewreven. Fossielen er uit zijn in het keileem namelijk niet zeldzaam; zie het interessante werk van Veenstra (1964) over de bryozoën daarin. Anderdeels moet van het weinige dat onze landstreken nog als zwerfsteen haalde een groot deel door oplossing naderhand zijn verdwenen.

 

115. Krijtrotsen van Moen, Denemarken, in 1952 toen een steenlawine de 500 m in zee stekende landtong op de voorgrond deed ontstaan. Naar Wienberg Rasmussen.

Fakse-kalksteen is een tertiaire kalksteen. Te Fakse, ten Zuiden van Kopenhagen in Denemarken, bevindt zich een geweldig grote groeve in paleocene kalksteenafzettingen. Het merendeel daarvan bestaat uit zachte krijtachtige kalksteen; maar erin vallen grote harde lichamen op van rifkalksteen, voornamelijk bestaande uit de koraal Dendrophyllia (ook Lobopsammia genoemd). Van deze hardere kalksteen zijn een tiental stukken, alle met veel koraalafdrukken erin, in Friesland en Groningen aangetroffen.

Hydrobiënkalksteen vormt dikke lagen in het met Tertiair opgevulde bekken van Mainz; wie de enorme groeve van de cementfabriek bij Wiesbaden bezocht, kan zich voorstellen dat de Rijn menig stuk daarvan heeft meegesleurd. De erratica zijn grijzig of lichtgeel en bevatten meestal talloze schelpjes van het hooggewonden slakje Hydrobia dat in brakwatermilieu bijzonder goed gedijt; in ons Waddengebied leven ze nog bij miljarden. Soms was de mariene invloed wat groter, en dan bevatten de kalkstenen cerithiën; maar zulke zwerf- stenen zijn zeer schaars. Dan weer overheerste het zoete water en fossiliseerden posthorenslakken (Planorbis); ook dit type is zeer zeldzaam, volgens het overzicht dat Koenderink (1960) van deze zwerfstenen gaf. Nog het meest treffen we de miocene hydrobiënkalksteen in de Bijland, bij Lobith aan, vanwaar wel 20 stukken bekend zijn; verder stroomaf worden ze steeds zeldzamer. Opmerkelijk zijn enkele opgaven uit Twente; wellicht hebben deze stukken een andere herkomst.

Moeraskalk is een nog geheel zachte kalsteensoort, gevormd in het laatste van de ijstijd in meerbekkens (b.v. te Susteren en in het Blekkinkveen bij Winterswijk) doordat de watertemperatuur zo hoog opliep dat de in het water opgeloste kalk neersloeg.

Turf, bruinkool en steenkool
Deze trits van afzettingsgesteenten is wel bij uitstek organogeen, omdat ze geheel bestaan uit plantenresten; meestal autochtoon (ter plaatse opgegroeid), zelden allochtoon (van elders samengespoeld). Bij het inkolingsproces verliezen deze gesteenten steeds meer zuurstof en waterstof, zodat uiteindelijk zeer koolstofrijke steenkool resteert; door metamorfose ontstaat hieruit grafiet.

Turf is de naam voor het gesteente waar onze venen uit bestaan; voor zover het in blokken te steken viel en branden wilde. Als belangrijke brandstof heeft dit materiaal nu wel afgedaan, al baggert men bij Vinkeveen nog en wordt bij Klazienaveen nog gestoken. Niet alle soorten veen zijn er geschikt voor; de bosvenen van vooral Zuid-Holland bevatten te veel stobben en stronken om nog tot brandstof te kunnen worden verwerkt. De hoogvenen van Peel en zuid- oostelijk Drenthe dienen tot grondstof van norit.
Met de loupe ontwaren we in een turf nog allerlei plantenresten; takjes van heidesoorten, brede vezels van zegge, fijngeschubde ‘boompjes’ van het veenmos of Sphagnum. Veenlagen die in het Pleistoceen zijn afgezet bevatten soms resten van thans geheel uit onze streken verdwenen planten. Zo is er een kleine veenlaag in de Noordoostpolder ontsloten die vol zit met de zanden van Brasenia, een mooie rode waterleliesoort.

Bruinkool of ligniet is al sterker veranderd dan gewone turf, en toont dus minder gemakkelijk herkenbare plantenresten. Veel van de kruiden, heesters en bomen uit de bruinkolentijd bij uitstek in deze streken, het Mioceen, zijn reeds geheel verdwenen. De bruinkolen van Zuid-Limburg zijn thans niet meer in ontginning; grote groeven bevinden zich nog bij Keulen. In tot 250 m diepe gaten worden met mega-excavateurs 80 m bruinkool in één keer weggegraven, een zeer indrukwekkend industrieel landschap. Zwerfstenen uit dit bruinkoolgebied komen wel eens voor; met name is verlimonitiseerd hout (zgn. ijzerpoksteen) verschillende malen aangetroffen. Maar een dergelijke vondst van Sibculo moet wel uit de Noordduitse bruinkolenlagen afkomstig zijn. Vooral in Twente en Drenthe zijn bruinkoolrolstenen volstrekt niet zeldzaam, maar het wat onmogelijke materiaal vond weinig belangstellenden. Ten onrechte, want twee door H. Rinket bij Zuidlaren opgeraapte stukken omsluiten barnsteen, waarmee de samenhang tussen bruinkoolformatie en barnsteen onomstotelijk bewezen werd. Weliswaar was reeds veel eerder opgemerkt dat barnsteenrijke gebieden (zoals het strand van Schiermonnikoog, de bodem van de Dollard, de zandgroeven bij Winschoten, Zuidlaren, Schoonlo en Oldenzaal) altijd veel bruinkoolhout en ligniet rolstenen opleveren; maar dat kon ook het gevolg zijn van het lage soortelijke gewicht van al deze erratica, die alleen in lagen fijn zand of leem te vinden zijn.

Barnsteen is natuurlijk een bijzonder begeerlijk bezit (zie foto 58), vooral als de hars een tertiair insect omsloten heeft, zoals bij enkele vondsten van Schiermonnikoog reeds is opgemerkt. Dat het zo weinig gevonden is komt doordat de lagen waarin barnsteen voorkomt economisch niet van waarde zijn en doordat de stenenverzamelaars de onogelijke storten van kleiballen, stukken hout en ligniet rolstenen links lieten liggen. Barnsteen is volstrekt niet zeldzaam; in het Oldambt in Groningen is er in de vorige eeuw wel op commerciële basis naar gezocht en gevist. Vuistgrote brokken kan men van het meestal bleekgeelondoorzichtige, soms prachtig bruinrood-heldere materiaal aantreffen — ook tussen de schelpen opgezogen bij onze Waddeneilanden. De barnsteenkettingen (zoals het prachtstuk van Exloo, 3400 jaar oud!) uit onze prehistorie behoeven dus geen import te wezen; integendeel, export van het vooral door de Romeinen zo hogelijk gewaardeerde edele materiaal heeft ongetwijfeld plaatsgevonden.

Steenkool is door inkoling uit bruinkool ontstaan. Men weet hoe de Limburgse mijnen moesten sluiten omdat de arbeidsintensieve kolenmijnbouw te kostbaar werd in verhouding tot de aardgaswinning. Zeer dunne laagjes ervan, riffels, kunnen we observeren in het Carboon van de Kampgroeve ten Zuiden van Epen. Hoewel èn Maas èn Rijn steenkoollagen in hun stroomgebied aan- snijden, zijn steenkoolrolstenen grote zeldzaamheden; aangezien de kolen- lagen reeds in het Krijt werden geërodeerd, treden ze reeds in de kalksteen van Zuid-Limburg op. Kersvers ontstaan uit afgerolde stukken brandsof treffen we rolstenen uit het stoomschepentijdvak in het zand van de grote rivieren; curiosa die van hetzelfde kaliber zijn als afgerolde stukken flessenglas van het strand.

Moerasijzeroer, ijzerrijke concreties

Een eigenaardig gesteente is ijzeroer dat men zelden onder ogen krijgt, maar toch van aanmerkelijk economisch belang voor ons land is geweest. Het wordt vooral gevonden in de beddingen van beken en rivieren die niet veel slib (meer) afvoeren, zoals de Oude IJssel; de ijzerindustrie van Deventer, Keppel, Ulft en Terborg was op deze voorkomens gebaseerd. Men treft het aan als steenachtig-vaste laag van roestbruine slakachtige weinig harde materie, die zich toch in grote blokken uitlichten laat. In de oude tijd is ijzeroer wel als bouwsteen gebruikt; zo b.v. aan het kasteel van Coevorden,, het klooster Sibculo en de kerk van Hellendoorn (foto 13). Het ontstaan van dit zeer zuivere ijzererts (hoofdzakelijk bestaande uit goethiet) is gebonden aan het uittreden van ijzerzouten bevattend zuurstofloos kwelwater; door oxydatie slaan de ferro-verbindingen neer. IJzeroer ontstaat ook wel door oxydatie van witte klien, aardachtige massa’s van sideriet op analoge wijze in veenwater gevormd.

IJzeroöliet gelukt op oölietkalksteen, maar bestaat uit ijzerverbindingen; ontstaat evenals gewone oöliet in ondiepe zeeën. Van Straaten trof twee dergelijke zwerfsteentjes in Zuid-Limburg aan, het een van limoniet, het ander van chamosiet; beide wellicht uit het Devoon van de Ardennen. Een ijzeroöliet uit het keileem van Hemelum zou volgens Kruizinga uit de Dogger stammen.

Limonietconcreties vinden we zeer veel in de grinden van Maas en Rijn, zeer schaars in die van Twente, Hondsrug en Westerwolde. Soms vormen de platte roestkleurige en niet zeer harde stenen hele banken, die in vroeger tijd benut werden voor ijzersmelterijen; op Veluwe en Montferland vindt men nog de kuilen van de oude ertsdelvers. Bij het doorslaan zien we hun fraaie concentrische structuur (Fig. 116). Kleine voorbeelden, ijzerboontjes, zijn meestal massief. Grotere zijn vaak van binnen hol en bevatten nog wat klei die (mits de steen droog is) bij het bewegen van de ijzerknol een rammelend geluid veroorzaken; dit zijn de echte klappers tenen. Deze vertonen een glimmend-zwart overtrek van de binnenste holte. Zonder twijfel ontstonden de meeste limonietconcreties in onze rivierzanden, tijdens het Pleistoceen. Dat bewijst de afwezigheid van slijtage aan de toch zeer zachte stenen. Men heeft zich over het algemeen voorgesteld dat de klapperstenen gevormd zouden zijn door uitscheiding van waterhoudende ijzeroxyden rondom een leemrolsteen. Van der Burg (1969-1970) heeft duidelijk gemaakt dat dit onmogelijk waar kan wezen, en dat het in het algemeen verweerde concreties van sideriet (ijzercarbonaat) moeten zijn. Sommige klapperstenen bevatten zelfs nog een kern die uit sideriet bestaat! Foto 2 toont een typisch fragment van een limonietconcretie.

pict1.jpg

 

 

 

 

116. Limonietconcreties: rechts een klappersteen, onder een ijzerboontje.

Maar niet alle limonietconcreties zijn op deze wijze ontstaan. Soms vindt men grote, zandige concreties met duidelijke slijtvlakken die al een heel verleden als zwerfsteen achter de rug hebben en verhard zijn bij de verwering van glauconietzand. Bevatte dat zand fossiele schelpen, dan vinden we daarvan nog afdrukken. Dit type (vaak grote platte stenen vormend) is echter veel schaarser dan het eerstgenoemde.

Siderietconcreties zijn weinig bekende zwerfstenen; ze hebben haast altijd de vorm van een zacht broodje, vertonen geen concentrische structuren op doorslag maar een grijzig-homogeen splijtvlak van zeer fijnkorrelige kleiachtige materie. De verweringskorst is glanzend-roestbruin. Ze vallen vooral op door hun hoge soortelijke gewicht, het gevolg van het aanzienlijke ijzergehalte. Aangezien sideriet ijzercarbonaat is, bruisen de knollen op bij begieting met zoutzuur.
Bij tienduizenden zien we de siderietconcreties (‘Toneisensteingeoden’ is de gangbare maar niet juiste Duitse benaming) in de kleilagen van het Onder- Krijt, in het Bentheimse. Ze komen ook voor in dezelfde lagen van Twente; er is zelfs een plan geweest er een ijzermijn voor aan te leggen. Zulke siderietconcreties komen dan ook als zwerfsteen nog al eens voor in de grindlagen van Twente en Salland. Het zijn door hun roestige verweringskorst nog al onogelijke keien; fossielen bevatten ze niet. Veel beter bewaard zijn de zeer zeldzame zwerfstenen uit het keileem van Friesland en Groningen en Noordoostpolder; een fraai voorbeeld ligt in het Museum op Schokland.
Een heel ander type siderietconcretie vonden Boekschoten en Huizinga (1971) in Zuidlaren. Hier werden door de zandzuiger honderden onverweerde vrij zachte beige concreties omhooggehaald; ze bevatten wat plantenvezels en glauconietkorrels, en worden vergezeld door in siderietmaterie omgezette brokken hout (vondsten H. Rinket). Deze ‘Zuidlaarder bollen’ zijn ongetwijfeld niet ver getransporteerd, en moeten ongeveer ter plaatse zijn ontstaan. Wellicht zijn uit dergelijke stenen de meeste limonietconcreties der zuidelijke provincies ontstaan.

Fosforiet

Gesteenten die grotendeels uit fosfaten bestaan zijn zeldzaam; waar ze voorkomen worden ze ontgonnen (b.v. Curaçao, Algerije). Concreties van fosfaten in zandlagen en kalkstenen zijn veel algemener en die vinden we ook in Nederland als fosforieten. Ook deze zijn van economisch belang wanneer ze rijkelijk voorkomen in losse zandlagen. Tijdens beide wereldoorlogen (toen import van buitenlandse fosfaatmeststoffen onmogelijk was) is er in Twente naar gegraven. Bij miljoenen vond men de groengrijze bolronde of knolvormige fosforieten in de zandlagen op de grens Eoceen-Oligoceen. Petrografisch zijn deze te beschouwen als glauconietzand doortrokken met apatiet; de glauconiet ziet men met de loupe nog wel, de apatietvulstof is uiterst fijnkorrelig en als zodanig niet te onderscheiden. Soms vormden de concreties zich om een of ander fossiel: wat nummulieten, een schelp, krabbenschild of een haaientand; ook wel hout. Om deze te vinden heeft men wel een goede ontsluiting in de fosforietenlaag nodig, maar jammer genoeg is zo’n ontsluiting thans niet aanwezig.
In Twente vindt men ook oudere, zwarte fosforieten nabij Losser; ze komen zowel uit het Onder-Krijt als uit het Eoceen ter plaatse. Dit type komt mede bij Winterswijk in het groenzand van het Midden-Krijt voor, en omsluit daar fraaie brokken gefosfatiseerd hout.
De fosforietenlagen zijn maar dun, zwerfstenen ervan zijn dus vooral in Twente en Achterhoek te verwachten en daar pleksgewijs soms heel gewoon (Vasse, Winterswijk). Elders zijn ze bepaald zeer zeldzaam.

Kalkconcreties

Kalkconcreties komen in sommige lagen rijkelijk voor. De lompe septariën, zo groot als een hoofdkussen, maken het de excavateurs in oligocene klei van Achterhoek en Rupelstreek niet gemakkelijk; ze bestaan uit grijzig-witte, tamelijk zuivere kalkmaterie die zeer fijnkorrelig is. Opvallend zijn de radiaire barsten in de knollen; deze zijn niet zelden naderhand gevuld met mooie calcieten pyrietkristallen (zie foto 1). Septariënfragmenten vindt men soms als zwerf- steen: in ‘t keileem van Twente en Achterhoek, en ook aan het strand van Cadzand.

Lösspoppetjes zijn grappige kleine kalkconcreties, die veel weg hebben van Michelin-mannetjes. In lösslagen van Zuid-Limburg hier en daar aangetroffen; grotere concreties vinden we in sommige kleilagen van het oudere pleistoceen, b.v. bij Zeddam en Rhenen (zie Fig. 9).

Vuurstenen

De vuursteengroep omvat dichte concreties, bestaande uit micro-kristallijne kwarts en chalcedoon; de stenen breken langs gladde vlakken, de oudere splinterig, de jongere schelpvormig. In ons land vinden we zwerfstenen uit het Ordovicium, het Carboon, het Krijt, en het Tertiair, die onder deze groep behoren; vooral de laatste twee perioden hebben een aanzienlijk deel van wat nu ons grind is, opgeleverd. Vuurstenen zijn dan ook zó hard en taai dat ze zelfs in de branding niet gemakkelijk verbrijzeld worden.
Nog op de plek van hun ontstaan kunnen we vuursteen bestuderen in de Krijtkalkstenen van Zuid-Limburg. Daar blijkt allerlei variatie mogelijk. We zien geïsoleerde knollen, grijsgekleurd en bochtig als een arm, zgn. tijgerkrijt oftewel Gulpens krijt met zwarte vuursteen doortrokken; regelmatige ‘lagen’ van bruinige vuursteen in het tufkrijt. Buurman en Van der Plas (1971) hebben in het voetspoor van Millot (1960) een diepgaand onderzoek ingesteld naar de wordingsgeschiedenis van de vuurstenen. Zij menen dat het kiezelzuur afkomstig is uit de omgevende kalksteen, maar de oorspronkelijke vorm waarin dat kiezelzuur aanwezig was is nog niet bekend. Vroeger meende men dat sponsnaalden de voornaamste bron vormden, maar enerzijds ontbreken vuur- stenen vaak vrijwel geheel in zeer sponsnaaldrijke gesteenten, anderzijds komen ze algemeen voor in sedimenten waarin geen sponsfossiel (meer?) is te bekennen.
Het mechanisme van de verkiezeling zelf verloopt via een tussenstadium bestaande uit torbermoriet, een waterhoudend calciumsilicaat van wisselende samenstelling, hieruit ontstaan dan de SiO
2-mineralen cristobaliet, tridymiet, maar vooral kwarts (in chalcedoonmodificatie) en opaal. In witte ‘onrijpe’ vuursteen (die nesten in en omkorstingen van vuursteenknollen vormt) worden de tussenstadia wel aangetroffen; ze zijn zonder ingewikkelde laboratoriumapparatuur niet aan te tonen. Een zwerfsteen zoals op foto 72 afgebeeld zou ze kunnen bevatten. Dat vuursteen in de bodem van de Krijtzee ontstond staat onomstotelijk vast; Felder (1971) vond in het basale Geulhemse Tufkrijt een vuursteenrolsteen van typische Krijt-habitus. Felder’s vondst stemt geheel overeen met een wel uitermate ongewone vuurstenencollectie uit het Danien van Zweden, door Troedsson (1924) gevonden in het fossiele skelet van een zeekrokodil, die de vier stenen als gastrolithen bij zich moet hebben gehad.

pict1.jpg

117. Zee-egel in vuursteen; steenkern, het fossiel zelf bleef uit kalk bestaan.

118. Kiezelringen op oesterzwerfsteen van Westerhaar en op belemnieten van Westerhaar en Vasse. Rechtsboven vergroot.

Zonder enige twijfel waren deze door een krokodil met opzet ingeslikte keien reeds tijdens het laatste deel van de Krijtperiode gevormd. Tussen Krijt en Danien schuilen in zuidelijk Schonen zo min als bij Geulhem een landfase. Vuursteen is dus het resultaat van een submarien verkiezelingsproces.
Opmerkelijk is dat vaak fossielen in deze kalkstenen (zoals oesters en belemnieten) verkiezeld raken, terwijl de omgeving kalkig blijft. Blijkbaar is de grovere calciet gemakkelijker aan te tasten. Buurman (1971) bestudeerde verkiezelde Limburgse belemnieten en vermoedt dat de zo aantrekkelijke kiezelringen (Fig. 118) op deze en dergelijke fossielen het gevolg zijn van traag voortgaande silicificatie. Ook deze ‘beckieten’ of ‘Buch’se ringenverkiezelingen’ moeten in het slib van de bodem van de Krijtzee zijn omgezet.
In België zien we zeer veel vuursteenlagen in de kolenkalkstenen van het. Onder-Carboon. Reeds vlak over de grens bij Vaals, in een oude steengroeve bij Moresnet, neemt men in de prachtig geplooide kalsteenlagen van grauwe kleur roetzwarte lagen en lenzen van deze zeer veel oudere vuurstenen waar. De breuk is splinterig van dit materiaal; ook zijn dunne scherfjes minder doorschijnend. De naam chert of hoornsteen wordt wel op zulke kiezelconcreties toegepast. We zullen nu de verschillende vuursteenzwerfsteentypen de revue laten passeren, alsmede die verkiezelde kalkstenen waarvan men mag vermoeden dat ze reeds kort na de afzetting een hoog kiezelzuurgehalte hebben bevat.

Baksteenkalk is zulk een gesteente; de naam is uit het Duits overgenomen, de gelijkenis met baksteen berust alleen op de poreuze verweringskorst die de stenen een ruw oppervlak geeft. En kalkgehalte is alleen nog maar aanwezig bij de tamelijk zeldzame zwerfstenen uit het keileem van Noord-Nederland. Reeds in die dichte, harde kiezelige stenen met splinterige breuk vallen kleur- loze tot blauwachtige (soms lavendelkleurige) chalcedoonplekken op. Gelaagdheid valt er niet in te bespeuren, maar fossielen zijn er wel in te vinden; trilobieten zoals Chasmops, brachiopoden zoals Platystrophia behoren tot het gewone ordovicische repertoire. De prachtige kalkalgen Coelosphaeridium (niet zeldzaam), Cyclocrinus en Mastopora zowel als de merkwaardige receptaculieten maken dit gesteente wel zeer begerenswaard voor de verzamelaar.

Ordovicische verkiezelde kalkstenen komen regelmatig voor in de Twentse grindlagen; in Noord-Nederland en in de Woldbergen zijn ze schaars, in overig Nederland ontbreken ze in riviersedimenten. Kalk bevatten de geelwitte rol- stenen uit Twente al lang niet meer; de geïsoleerde chalcedoonconcreties zijn als lavendelblauwe verkiezelingen terug te vinden. Soms heeft de vuursteenvorming plaatsgevonden in of om bepaalde fossielen; het spreekt vanzelf dat kiezelsponzen als Astylospongia en Aulocopium hierbij betrokken waren, maar we vinden ook Favosites, Heliolites, Halysites en Syringophyllum als los verkiezelde koraalzwerfstenen, naast stromatoporen en kalkalgen als Cyclocrinus en Receptaculites. Al deze ordovicische fossielen zijn kostelijke vondsten die vooral aangetroffen worden in de groeven te Westerhaar en Sibculo, ten Noorden van Vriezenveen. De herkomst van deze zwerfstenen zal de Oostzeebodem ten Westen van Saarema zijn geweest. Uit dit gebied komt ook de Borkholmvuursteen, die helaas in Nederland zeer zeldzaam is maar die bewerker op het strand van Gotland opraapte, met als zwart kant bewaarde graptolietenkolonies ingebed; het materiaal waarop vroeger Wiman zijn baanbrekend graptolietenonderzoek verrichtte.

Ftaniet is een vuursteentype dat we in het keileem vergeefs zullen zoeken, maar des te meer vinden in het grind van de Maas. Het zijn grauwe tot lichtgrijze splinterige steentjes en stenen die gekenmerkt worden door talrijke afdrukken van zeeleliestengels en soms van brachiopoden en koralen welke het gesteente ook aan de naam schroevensteen hielpen. Met de loupe vinden we ook wel holtetjes die op scheefgedrukte luciferdoosjes gelijken; dit zijn afdrukken van dolomietrhomboëders. Gelaagdheid is soms aanwezig.
Waar we de ftanietknollen middenin de kolenkalkstenen kunnen zien steken is zeker een deel van onze zwerfstenen reeds in het Onder-Carboon ontstaan. De mogelijkheid is echter niet uit te sluiten dat ook in het Tertiair nog ftanieten zijn gevormd, en wel daar waar een dun kwartszanddek bovenop een crinoïdenkalkformatie lag. In vochtige tropische klimaten is dan een verkiezelingsproces van de kalksteen mogelijk, waarbij niet alleen de zandige deklagen aaneengekit raken (zie cementkwartsiet) maar ook de onderliggende kalkformatie silicificeert; molecuul voor molecuul worden de kalken korrels door kiezel vervangen. Het is wonderbaarlijk dat met zó weinig structuurverlies zo’n grote materieverandering plaats kan vinden. Deze verkiezelde gesteenten komen nog aan bod; men zie onder verkiezelde kalksteen, kiezeloöliet en lamellaire kwarts.
De ftanietgrindjes zijn haast altijd parallelopipedumvormig, weinig afgerond; algemeen in het Limburgse, schaars in Midden-Nederland, zeer zeldzaam in Twente. De herkomstgebieden ervan zijn de kolenkalkgebieden in België, mogelijk ook die bij Aken en Düsseldorf.

Arnagerkalk is de oudste Baltische afzetting in Krijtfacies; dichte, harde, kiezelrijke kalksteen van grijze kleur met talrijke sponsnaalden. Kruizinga (1918) rekende vier zwerfstenen uit ‘t Gaasterland er toe; op Bornholm bevat deze formatie vuurstenen, waarvan in Duitsland om. zwerf- stenen met de ammoniet Scaphites kunnen stammen.

Vuursteen, een concretionnair kiezelgesteente waarover wel een dik boek vol te schrijven zou zijn en waarover in Maastricht in 1969 een heel symposium is gehouden. Het is dan ook een gesteente dat we telkens weer tegenkomen; er is geen grindhoop of er steken stukken vuursteen in. We herkennen het als ongelaagd, schelpvormig brekend, hard en bros kiezelmateriaal; dunne scherfjes zijn doorschijnend. Bij het hameren op een vuursteenbonk vliegen de vonken van de hamer, een verschijnsel dat herinnert aan de tondeldoos van vroeger dagen (Fig. 119); met een stalen ring werden door de vuursteen vonken geslagen die het tondel in de koperen tondeldoos ontstak; aan het gloeiende kooltje werden de Goudse pijpen opgestoken. Juist de glasharde vuursteen was voor dit doel heel geschikt, omdat men de vonkenstroom goed kon mikken. Men moet echter oppassen voor vonken slaan met de hamer, wat uit verveling wel gebeurt; wegspattende splinters zijn zeer scherp en kunnen ernstige gevolgen voor de ogen hebben.
Vuursteen is meestal grijs, bruin of geelwit op de breuk, ook wel zwart, zelden rood. Aan de buitenkant vertonen ze soms een verweringslaagje, het patina, dat grijswittig is maar vaak ontbreekt. Wellicht ontstaat dit door oplossing van de (in elke vuursteen aanwezige) opaal welke de. ruimte tussen chalcedoonelementen opvullen. We moeten deze patina wél onderscheiden van het grensgebied tussen vuursteenconcretie en omgevende kalksteen; hier kunnen millimeters dikke wittige korsten ‘onrijpe vuursteen’ optreden, die we aan zeer vele zwerfstenen opmerken.
Zoals in de inleiding opgemerkt, is vuursteen in de bodem van de Krijtzee ontstaan; maar het ontstond bepaald niet op willekeurige plekken. Graafgangen met hun verstoorde poriënrijke opvullingen zijn zeer geschikt voor het ontstaan van vuursteenconcreties; ze volgen deze sporen, nemen daardoor langgerekt-worstvormige gedaanten aan die door de beginnende liefhebbers wel eens voor sauriërbeenderen gehouden worden. Men zie foto 73, die wellicht teleurstellingen kan besparen!
Een ander laagtype dat vuursteen aantrekt is de hard-ground, reeds behandeld onder tufkrijt. Felder (1971) deelt mede dat men hierdoor vuursteenlagen over meer dan 15 km kan vervolgen.
Door al deze invloeden varieert de uitwendige vorm van vuurstenen zeer veel; platte knobbelige platen uit dichte harde banken, platronde schijven, niervormige klonters, beenvormige stukken, grillige brokken die doen denken aan hertengeweien of aan dikke boomtakken - van alles vindt men er tussen. Worden de vuursteenbonken echter door de golfslag aan een kust tegen elkander geslepen, dan ontstaan prachtige ronde rolstenen. Dat proces is nog in volle gang aan de krijtkusten, zoals die bezuiden Calais, bij Dover, op Wight en op Moen; het heeft zich in het Tertiair talrijke malen afgespeeld in wat thans Henegouwen, Limburg, Hannover en Schonen is. Bijgevolg vinden we in al die gebieden grotere of kleinere hoeveelheden van vuursteenrolstenen in de tertiaire lagen, zoals het miocene zand te Heerlerheide.
In het Kwartair zijn deze stenen andermaal opgenomen en door alle afzettingen in Nederland verspreid. De echte rolstenen zijn schaars in Zuid-Limburg bezuiden het Geuldal, alsmede in Noord-Nederland; elders komen ze algemeen voor. Meestal zijn ze van buiten blauwgrijs, soms met marmerachtige vlekjes; op doorslag tonen ze een bruinig binnenste, vaak afgezet door verweringsbandjes die evenwijdig aan het buitenoppervlak lopen.

pict1.jpg

 

 

119. Vuursteen, tondeldoos en vuurslag.

120. Vuursteen uit ouderwets jachtgeweer, gevonden door Heeres, te Nieuw-Annerveen.

Onafgeronde vuursteenzwerfstenen zijn nog veel algemener dan de rolstenen; vaak vertonen ze concave (holle) oppervlakken, als vrijwel enige zwerfsteensoort.
De herkomst van onze vuurstenen is zeer ruim bemeten, zowel in afstand als in tijd. Noord-Frankrijk heeft met zekerheid de vuursteen van het land van Cadzand geleverd; maar ook Brabantse en Limburgse vuurstenen kunnen daar vandaan komen. Veel vuursteen leverden de kalkstenen uit het Boven-Krijt van Henegouwen, Limburg en de omgeving van Aken. Maar ook was het Noordduitse, Deense en Zweedse Krijt een rijke bron van dit materiaal. In Denemarken besloeg het Danien een deel van het vuursteenleverend gebied, zodat de minderheid van de vuurstenen onzer noordelijke provinciën van paleocene ouderdom moet zijn.
Sommige vuurstenen uit dat gebied zijn voorzien van een groene korst; twee zwerfstenen zijn bekend uit het keileem van Rijs en Winschoten, tamelijk algemeen komen ze voor in de Sellingerbeetse ten Noorden van Ter Apel. Op laatstgenoemde plek is blijkbaar (Eoceen?) groen zand vlak onder de oppervlakte aanwezig, aangezien de zandzuiger er vrachtenvol opbrengt. Vermoedelijk kregen deze vuurstenen hun groene korst tijdens de vorming van de glauconiet, op enige diepte in de zee (vandaar dat de stenen weinig zijn afgerond). Men heeft wel vermoed dat alle vuurstenen met groene korst uit het Danien zouden stammen, maar dat behoeft niet zo te zijn.
Er zijn maar weinig vuurstenen en vuursteenachtig verkiezelde krijtblokken die men nauwkeuriger thuis kan brengen. Lakrode vuursteen bevat het Boven-Krijt bij Helgoland. Hanaskog-vuursteen, zwartbruin met talrijke witte vlekjes, komt uit het wat jongere Krijt bij Kristianstad. Okergele bryozoënvuursteen (ook wel hoornsteen genoemd) stamt uit het Danien van Denemarken. Een betrouwbare, maar niet altijd even eenvoudige weg is de zorgvuldige determinatie van de fossielen in de vuursteenzwervelingen waarmee de verschillende Krijtetages alsmede het Danien wel onderscheiden kunnen worden. Chatwinothyris lens, een grote brachiopode (zie Fig. 205A) karakteriseert onvolledig verkiezelde Saltholmskalksteen, welke echter zelden voorkomt. Losse vuursteenfossielen ziet men vaker; verkiezelde zee-egels, belemnieten, sponzen zijn aantrekkelijke vondsten.

Artefacten, door mensenhand bewerkte ftanieten en vuurstenen, komt men wellicht eens een enkele keer tegen. Er zijn ware juwelen onder, zoals de op Fig. 122 afgebeelde te Eerbeek gevonden vuurstenen dolk. Veel ouder zijn vuistbijlen, vermoedelijk door de Neanderthaler gebruikt; zware indrukwekkende werktuigen, vooral bekend uit Limburg, Drenthe en Friesland. De vuurstenen behorend bij de tondeldozen werden reeds genoemd; uit dezelfde periode stammen de vrij veel voorkomende maar weinig opgemerkte trapeziumvormige Vuurstenen voor antieke pistolen en geweren (Fig. 120) die door jacht en krijgsbedrijf op allerlei plekken voorkomen waar men echte steentijdwerktuigen vergeefs zoekt.
Waar de mens uit het stenen tijdperk zó veel moest doen met vuursteen en deze vers uit de kalksteen beter te bewerken is dan uit zwerfstenen (men ziet dat daarvan meestal de kern is gebruikt) valt het niet te verwonderen dat er ware industrieën van vuurstenen werktuigen (zgn. ateliers) bij de grote voorkomens ontstonden. In sommige plaatsen ontstonden ware mijnen, zoals bij Spy, in Henegouwen waar een verongelukte mijnwerker werd opgegraven nog met een hertshoornen werktuig in de hand - een van de merkwaardigste stukken in het zo fraaie museum te Brussel. Ook in Zuid-Limburg hebben vuursteenmijnen bestaan; in 1881 ontdekt, zijn ze toch eerst sedert 1964 in gedegen onderzoek, waarbij de inbreng van de uit amateurgeologen bestaande Werkgroep Prehistorische Vuursteenmijnbouw de stuwende kracht vormde. Het ontsluiten van de ondergrondse mijngangen (zie foto 74) in het Gulpens Krijt ter plaatse was geen sinecure, maar de leden van de Geologische Vereniging, deels uit het mijnbedrijf zelf afkomstig, klaarden dit karwei. Nog steeds duurt het opgravingswerk in deze 5000 jaar oude vuursteenmijn voort. Reeds werden meer dan 1000 vuurstenen hakken gevonden (soms nog met steelresten), alsook kloppers en spanen. Vermoedelijk vormden deze het mijnwerkersgerei van de neolithische mens. Een unieke onderneming is deze opgraving, geheel in vrije tijd door enthousiaste amateurs verricht.


 


pict2.jpg

121. Bryozoënvuursteen, Oude Mirdum.

 

 

 

 

 

 

 

pict3.jpg

122. Vuurstenen dolk, gevonden te Eerbeek, vervaardigd te Grand Pressigny in het Neolithicum. Op ware grootte.

123. Mijnwerkerspikkel uit vuursteen, van Rijckholt, op 1/3 van de ware grootte.

Kiezeloöliet, verkiezelde kalksteen

Kiezeloöliet is wel een bijzonder fraai voorbeeld van een verkiezelde kalksteen. In de hand lijken de meestal grijze grindsteentjes op een grove, wat eigenaardige zandsteen waarvan de korrels elkaar niet raken (ongeveer zoals bij cementkwartsiet). Met de loupe zien we echter dat de gewaande zandkorrels ieder uit talrijke concentrische schaaltjes bestaan. Op foto 75 is een en ander weergegeven. Het merkwaardige is nu dat nergens een kiezeloölietlaag is waarvan men waarschijnlijk kon maken dat deze ook als kiezel op de zeebodem was afgezet, zodat men wel moet aannemen dat ze oorspronkelijk uit andere grondstof waren opgebouwd. We zien trouwens op Fig. 124 reeds doorsneden door ostracoden-doubletjes, die blijkbaar geheel in kiezel zijn omgezet. Aangezien hiermee een kalkmaterie getransformeerd moet zijn in kiezel, ligt het voor de hand om aan te nemen dat de meeste (zo niet alle) kiezeloölieten uit onze grindlagen verkiezelde kalkoölieten zijn. Dat we echter niet met een vuursteenachtige vorming te doen hebben bewijzen de ontsluitingen van Jurassische kalkoöliet in Noord Frankrijk en in het Wezergebergte. In deze lagen vinden we geen spoor van kiezelconcreties. Ook missen de zwerfsteentjes ten enen male de onregelmatige vorm welke men van vuursteenachtige concreties zo goed kent. De grote meerderheid van de oölietzwerfsteentjes is parallelopipedum-vormig, net zoals vele ftanietgrindjes. Maar bij de laatste vindt men toch nog geregeld concretieachtige stukken - bij de kiezeloölieten nimmer. De breuk van de kiezeloölieten verschilt ook van die der vuursteenachtigen; kiezeloöliet breekt korrelig-splinterig, ftaniet vlak-splinterig en vuursteen vlak-schelpvormig. Dit verschijnsel zal samenhangen met de grotere homogeniteit en het hogere opaalgehalte van laatstgenoemde steensoorten.

pict1.jpg

124. Kiezeloöliet van Uden; eronder uitvergrote oöieden en fossieltjes

Zo nu en dan vinden we oölieten waarin nog resten oorspronkelijk materiaal bewaard zijn gebleven. Van Straaten (1946) merkte bij microscopisch onderzoek vaak nog kleine calcietrestjes op. Zeldzaam zijn kiezeloölieten waarbij de oöieden nog een groenige kern van het ijzermineraal chamosiet bezitten. Soms treffen we een kiezeloöliet met maar enkele oöieden; het uitgangsmateriaal bestond blijkbaar uit kalkslib, niet uit oölietzand. Daardoor leren we ook verkiezelde kalkstenen herkennen; deze lijken op de kiezeloölietgrondstof, maar missen de oöiedenstructuurtjes. In beide ontwaren we nog wat andere sporen; in de eerste plaats holtetjes van rhomboëdrische dolomietkristallen, in de tweede plaats spaarzaam voorkomende fossielresten, zoals crinoïdenstengelleden. Deze laatste brengen ons weinig verder voor de ouderdomsbepaling; een ammonietafdruk, of een Nerinea-rest zoals Van Straaten in Zuid-Limburg aantrof wijzen echter sterk op een Jura-ouderdom, evenals botachtige fossielen in een door Van der Lijn (1935) bij Amersfoort gevonden kiezeloöliet. Aangezien we soms overgangen vinden tussen typische ftanieten en fijnkorrelige oölieten en dergelijke gesteenten door Corin (1933) bij Houmart (België) in het Carboon werden aangetroffen, is het wel zeker dat een deel van de kiezeloölieten in het Maasgrind van carbonische ouderdom is. Volgens Van Straaten (1946) betreft dit vooral die stenen waarin de oöieden van wisselende diameter zijn, en onregelmatig van vorm. Dateringen met absolute zekerheid kunnen uiteraard alleen aan de hand van fossielenbevattende zwerfstenen worden verricht.
Kiezeloölieten en verkiezelde kalkstenen zijn vooral ruim te vinden in het pliocene grind van Brunssum, dat er naar genoemd werd. Veel spaarzamer komen ze in de overige riviergrinden voor; bij hoge uitzondering maakt kiezeloöliet volgens Maarleveld (1956) nog 1% van een grindfractie uit. De oorsprongsgebieden van onze grindjes moeten zijn het Belgische Carboon, de Noordfranse en Noordduitse Boven Jura; vaak zullen ze hun reis ‘in sprongen’ hebben gemaakt, met als ‘tussenstation’ de kiezeloölietgrinden op de randen en flanken van het laaggebergtegebied.

Nummulietenhoornsteen

Aldus wordt een zeldzame, gelige, dichte verkiezelde kalksteen aangeduid welke men in België ook wel ‘grès Fayat’ noemt, naar de hoeve van die naam tussen Vélaine en Onoz ten westen van Namen. Helaas wordt het fraaie gesteente aldaar voor wegenaanleg gebruikt. Het is overigens pleksgewijs in het hele gebied tussen Sambre en Maas aan te treffen. Het wordt gekarakteriseerd door de aanwezigheid van talrijke grote nummulieten en is daardoor onmisbaar. Soms is de verkiezeling onvolledig, en kan men de nummulieten nog uit het gesteente prepareren (zie foto 76). Er komen overgangen voor naar de reeds eerder genoemde eocene zandstenen. Aangezien deze zwerfsteen door de fossielen nog al opvalt zullen er relatief veel stukken van zijn verzameld; meer dan twintig vondsten in de grindlagen van Zuid- en Midden-Nederland.

125. Nummuliet

Rode IJzerkiezel

Vaak worden deze zwerfstenen met jaspis aangeduid, ook wel eens met carneool; deze romaneske benamingen duiden alleen aan ‘rood kiezelrijk materiaal, geschikt om geslepen te worden’. Wij houden ons aan de meer nuchtere term, maar genieten niet minder van dit fraaie veelal lakrode zwerfsteentype. Het zijn dichte, zeer fijn-kristallijne kiezelgesteenten, bestaande uit kwarts en chalcedoon, gekleurd door een ijzerverbinding. Hier en daar vinden we er kwartsnestjes in, holtetjes soms met kristalpuntjes nog; ook vaak nesten van metallisch glanzende blauw-zwarte haematiet (Fe2O3). Zulke ijzerkiezels zijn welzeker uit het gebied van de Lahn en de Dill in Duitsland afkomstig waar het rode gesteente in nauw verband staat met voorkomens van haematietijzererts alsmede met bazaltische uitvloeiïngsgesteenten. Vermoedelijk is het daar ontstaan uit neerslagen van submariene hete bronnen welke verband hielden met het onderzeese vulkanisme. Hoe oud deze ijzerkiezels zijn is nog onbeslist; hetzij Devoon, hetzij Carboon, door de plooiing van de aardlagen met de ijzerkiezelmassa’s werd de structuur van de aarde zó ingewikkeld dat de eigenlijke plaats nog niet definitief kon worden gereconstrueerd. Bij de plooiing aan het einde van het Carboon voegde de ijzerkiezel zich niet plastisch naar de nieuwe stand der lagen maar barstte in tienduizenden fragmenten, welke weer aaneengehecht werden door spierwitte kiezel. Het kleurcontrast (zie foto 59) maakt de rode ijzerkiezelbreccies wel tot een van de alleraantrekkelijkste zwerfsteensoorten welke men in Nederland kan vinden. Gelukkig zijn zulke zwerfstenen in Zuid- en Midden-Nederland volstrekt niet zeldzaam. Soms vinden we wel eens rood-bruingevlekte stenen waarin de haematiet blijkbaar tot limoniet is omgezet. Zulke bruine ijzerkiezel is niet algemeen. Intussen zijn niet alle rode ijzerkiezels op deze wijze ontstaan; ook dichtverkiezelde kalkstenen en zandstenen kunnen door een oorspronkelijk ijzergehalte een lakrode kleur krijgen. Zo zag bewerker een rode ijzerkiezel vol Hydrobiafossieltjes, de slakjes keurig omgezet; blijkbaar een verkiezelde hydrobiënkalk. Wellicht kunnen de zeldzaam voorkomende oölitische rode ijzerkiezels verklaard worden als verkiezelingen van ijzeroölieten. Van Straaten (1946) trof in Zuid-Limburg rode ijzerkiezels welke halfverteerde granietresten bevatten, en niet zo weinig; naderhand werden ze ook in Midden-Nederland gevonden. Hier zou men kunnen denken aan een verkiezelde bodem uit een granietgebergte, zoals Vogezen, Odenwald of Zwarte Woud. Het terugvinden van het oorsprongsgebied dezer stenen moet een moeilijke zaak zijn aangezien verkiezelde bodems dun zijn en weinig uitgebreid en welhaast alle zullen zijn opgeruimd in de pleistocene periode. Een ding hebben deze silicificatie-ijzerkiezels gemeen: ze bevatten nimmer een kwartsgang, hoe dun ook. Dit wetende we op den duur ons ijzerkiezelmateriaal wel in twee hoofdgroepen verdelen.

Lamellaire kwarts

Een eigenaardige en goed herkenbare zwerfsteensoort, waarvan op foto 77 een mooi voorbeeld is afgebeeld. Het is uit meestal kris-kras liggende platen van chalcedoon opgebouwd, loodrecht waarop fijne kwartskristalletjes zijn opgegroeid. Sommige stenen lijken wel uit verkiezelde gipszwaluwstaarten te bestaan. Andere zijn bepaald nimmer gipsachtig geweest, zoals de door Van Straaten opgemerkte rode ijzerkiezel met gipsresten die ook deze structuur vertoonde. De aard van de oorspronkelijke materie blijft een raadsel, waar niets dan kiezel aanwezig is in de stenen van grijs- of geelwitte kleur. Uit het Odenwald wordt het voorkomen van geheel in kwarts omgezette barietgangen, welke ter plaatse door de graniet heen breken, opgegeven. Een herkomst uit de omgeving van Heidelberg is voor Midden-Nederland niet uit te sluiten; de stenen uit Zuid-Limburg zijn vooralsnog niet te plaatsen.

Kwarts

Witte kiezel, als meest algemeen bestanddeel onzer grinden, bij jong en oud zeer goed bekend, heeft desniettegenstaande haar bekoring. Er zijn ook fabeltjes over; zo zou het zuigen op een witte kiezel de dorst verjagen. omin als van veel andere kiezelzwerfstenen kan men gebergtelagen vinden die geheel uit witte kiezel bestaan; het komt uitsluitend voor als aders, opvullingen van barsten en kloven in kiezelrijke gesteenten zoals zandsteen en schalie. De Carboonontsluiting ten Zuiden van Epen is in ons land de enige plek waar men kwartsgangen in de vaste rots kan observeren; heel goed ziet men daar dat het gedeelte van een breuk dat door een zandsteenlaag gaat geheel met witte kiezel is opgevuld, het gedeelte in kleischalie echter nog half leeg is en veel ijzeraanslag naast bergkristalletjes vertoont. Blijkbaar is de witte kiezel ontleend aan de gesteenten in de directe omgeving van de barst of kloof. Bevatten die gesteenten veel ijzer, mangaan of kopersporen dan worden vooral bij wat hogere temperatuur en druk allerlei schaarse elementen gemobiliseerd. Zo vindt men bij Stavelot karpholiet in kwartsaders en bij Salmchâteau (ook in de Ardennen) kwartsgangen met ardenniet, pyrolusiet en malachiet. Ook langs de Rijn komen koperertsen in kwartsgangen voor, b.v. aan de Koppenstein. Uit Nederland zijn tot dusverre alleen kwartszwerfstenen die haematiet bevatten opgemerkt, zie Fig. 21.

 


 

 

73. Schijnfossielen (Zwerfstenen van Amersfoort). Geen versteende botten, maar grillige vuursteenconcreties. Vermoedelijk uit het Krijt van Limburg, waar vele meer enthousiaste dan kundige vinders door zulke vuurstenen aan ‘t dromen raakten.

 

 

74. Prehistorische vuursteenmijn (Savelsbos, Rijckholt). De in recente jaren onderzochte gangen getuigen van neolitische mijnbouw.

 


 

 

75. Kiezeloöliet (Zwerfsteen van Arnhem). Deze verkiezelde kalksteentjes vinden we vrijwel uitsluitend van grindgrootte; de lengte van afgebeeld exemplaar is 4 cm. Herkomst Noord-Frankrijk in dit geval ‘t waarschijnlijkst.

 

 

76. Nummulieten en nummulietenhoornsteen. De vijf losse nummulieten braken zandgravers uit ‘n kruimelige steen van Maarn, waarvandaan ook de grote hoornsteen met indrukken; het kleinere stuk komt van Laren (N.H.). Uit het Eoceen van het Sambredal. Vondsten Van der Lijn, collectie Geologisch Instituut Amsterdam.


 

 

77. Lamellaire kwarts (Zwerfsteen van Arnhem) Verkiezeling van mineralen zoals gips en bariet kan dergelijke ongewone kwartsstenen opleveren. Collectie De Graaf.

 

 

78. Geplooide gneis (Zwerfsteen van Maarn). Vooral de dunne laagjes Zwarte biotiet spreken van de vormveranderingen die dit overigens uit witte veldspaat en grijze kwarts bestaande omzettingsgesteente doorstond.

 


 

 

79. Ogengneis (Zwerfsteen van Amersfoort). Tussen de glimmerlagen vallen de ogen van veldspaat sterk op; wellicht ontstonden de laatste na de eerste, en zijn het dus porfiroblasten. Herkomst Fennoscandië.

 

 

80. Ptygmatische plooien in graniet (Zwerfsteen uit Drenthe). In de homogeen lijkende graniet zijn blijkens de eigenaardige plooiing metasomatische processen opgetreden. Collectie Geologisch Instituut Groningen.


Wie in de Carboonlagen bij Epen naar kwartsgangen zoekt, zal er eerst nog vrij vele over het hoofd zien en zo vergaat het in Ardennen en Rijngebied de geologische toerist ook. Weliswaar bestaat ons grind vaak voor meer dan driekwart uit kwarts, maar toch vinden we bovenstrooms van onze grote rivieren geen sneeuwwit kiezelgebergte! Kwartsgangen van meer dan een meter dik zijn al hele uitzonderingen. We vinden zo veel witte kiezels omdat kwarts hard is en nauwelijks verweerd; we treffen vrijwel nimmer kwartszwerfstenen van meer dan een meter doorsnede aan, omdat er in het gebergte geen grotere gangen voorkomen.
Ongetwijfeld hebben heel wat witte kiezelstenen al een zeer lange geschiedenis achter de rug. Waar we reeds in de conglomeraten van Gedinne, Burnot en Fépin veel grindjes hiervan ingebed vinden kunnen we vermoeden dat bij het uiteenvallen dezer gesteenten wéér steentjes vrijkwamen, die hun vorm intussen reeds in de Devoontijd hadden gekregen. Aangezien voor het ontstaan van Witte kiezel intensieve plooiing noodzakelijk is en voor het vrijkomen aan de oppervlakte van de gangen diepgaande erosie van het opgeplooide gebergte een voorwaarde is, kunnen we wel stellen dat het leeuwendeel van onze witte kiezels uit het Carboon of uit nog oudere perioden onzer aardgeschiedenis stamt. De oorspronkelijke herkomstgebieden van de Nederlandse grindjes behoeven thans in het geheel niet meer aan de oppervlakte te liggen, aangezien ze overdekt kunnen zijn door dikke pakketten jongere afzettingen.
Zo nu en dan bevatten witte kiezels kwarts in kristallijne vorm, bergkristallen; zoals men weet werden deze ‘Lochemse diamanten’ vroeger ook tot sieraden verslepen. Afgerolde bergkristallen vindt men wel bij nauwkeurig naspeuren van grindhopen; grotere zeer zelden, kleine veel meer.
In Noord-Nederland is witte kiezel minder algemeen, en bergkristal bepaald zeldzaam; de plaats van deze wordt ingenomen door melkkwarts, half doorschijnende soms wat blauwige kiezel, die er uit ziet als water waaraan melk is toegevoegd. Deze melkkwarts is uit kristallijne gesteenten, vooral granieten, afkomstig; granietpegmatiet bijvoorbeeld kan er vrij grote stukken van opleveren. De melkkwartsen zijn vooral uitverweerd in het Tertiair, toen het oude kristallijne schild van Fennoscandië de invloed onderging van een vochtig en vrij warm klimaat. Muskoviet bleef onaangetast, maar biotiet en vele donkere mineralen vielen uiteen, evenals de veldspaten die deels in kaolien werden omgezet. Tezamen met de melkkwartsen werd dit materiaal als kaolienzand in jongtertiaire tijd door rivieren in Noord-Duitsland afgezet. Wellicht behoren ook sommige lagen in Westerwolde en Oldambt nog tot deze formatie. Uit deze miocene en pliocene lagen ontleenden weer vele latere grindafzettingen in Noord-Nederland een deel van hun zwerfsteentjes.
Amethyst is wel een bijzonder fraaie en merkwaardige kwartssoort, paars van kleur en (in edelsteenkwaliteit) geheel doorzichtig. Onze zwerfsteentjes zijn niet helder, maar wel vaak mooi paars. Ze komen sporadisch voor in de noordhelft van de Veluwe, alsmede Overijssel, Drenthe en Groningen als typische elementen van het uit het Oosten aangevoerde grind. Genieser(1970) heeft er een studie aan gewijd; het is hoogst waarschijnlijk dat de meerderheid van deze zeer aantrekkelijke erratica uit het oostelijke deel van het Saksische Erstgebergte afkomstig is. Zowel amethyst als witte kiezel komen als stengelkwarts voor, rolstenen waaraan nog goed de opbouw uit evenwijdig staande zeszijdigprismatische kristallen te zien is. Een heel enkele keer is zo’n stengelkwarts bij latere bergbewegingen weer opengescheurd en zette zich een tweede generatie witte kiezel er op af. Zulke stengelkwartssteentjes vertonen een duidelijke knik; ze zijn zeldzaam en behoren vermoedelijk tot de cambrische kwartsietformatie in België, reden ook waarom ze in Zuid-Limburg nog wel eens aangetroffen worden.

Gangcalciet komt in geplooide kalksteengebergten als opvulling van barsten al net zo veel voor als Witte kiezel in zandsteenspleten: Witte gangen, soms vezelig, dan Weer min of meer massief. Calciet is echter gemakkelijker te verbrijzelen dan kwarts, en lost veel sneller op; vandaar dat we gangcalciet alleen aantreffen in de Weinig talrijke zwerfstenen van kolenkalk als Witte aders. In de vaste rots vinden we dit buitenlands zo algemene materiaal alleen bij Winterswijk, in groenzand, en Witte kalksteen uit het Krijt.

Achaten

Men kent ze geslepen uit de etalages van de juweliers; maar men vindt ze ook in Nederland,  en zo weinig zeldzaam dat sommige V.V.V.’s achaatzoektochten organiseren als toeristenuitstapje. Onder achaat verstaan we gelaagde afzettingen van chalcedoon en kwarts in holten van kiezelrijke gesteenten. Deze mineralen hebben zich als secretie nauwkeurig de wanden van de holten volgende in dunne korstjes afgezet (zie Fig. 126) zodat een wondermooie tekening ontstaat die wel aan een plattegrond van een 17e- eeuwse vesting doet denken. Dergelijke achaten komen we wel eens tegen in zwerfstenen van permische bazalt, zogenaamde melafier; roodbruine keien die uit het dal van de Nahe afkomstig zijn en dus alleen in Rijnafzettingen voorkomen. Vers uitgelopen lava’s bevatten vaak gasblazen, maar nimmer zijn die door mineraalvormingen opgevuld. Dit schijnt eerst na overdekking met sediment, onder invloed van de grondwatercirculatie te kunnen gebeuren. De vorming van achaten nu is een hoogst complex proces dat door oudere onderzoekers als Liesegang veel te simplistisch is voorgesteld. Het begin van de achaatvorming in het Nahegebied wordt steeds gevormd door een dun overtrek van de holte met delessiet, een groen glimmerachtig mineraal; kleine holtetjes worden alléén met delessiet gevuld. Hierop zetten zich vaak calcietkristalletjes en zeolieten af en daaroverheen eerst vinden we de eerste chalcedoonlagen. In tegenstelling tot wat in oudere boeken wel te lezen is, ontstond deze chalcedoon direct en niet pas naderhand door ontglazing van opaal. Naar het centrum van de holte toe treffen we steeds meer kwarts aan, fraai uitgekristalliseerd; grote holten zijn vaak niet geheel gevuld en binnenin zulke geoden treffen we dan prachtige kristalpunten aan van kleurloos bergkristal, paarse amethyst of grijzig-waterheldere morion.
Zulke achaten vinden we meestal los en als klein grindje, in noordelijk Limburg, Brabant, Gelderland, Utrecht en het Gooi in vrij grote aantallen. Het zijn prachtige steentjes, zeer afwisselend van kleur: lakrode, rose en witte ondoorschijnende en honingkleurige doorschijnende chalcedoon; blauwige, grijzige of kleurloze bergkristallaagjes. Aan de buitenzijde zien we in de onregelmatige korst nog indrukken soms van de verdwenen calcietkristallen; delessiet merken we niet meer op. Geslepen komt de tekening van de steentjes nog beter uit; maar we verliezen daarmee wel de interessante onregelmatige vorm.
Aan de Nahe bestonden vroeger vele steengroeven naar de begeerde achaat, waar zelfs meisjes naar werden vernoemd. Sinds in 1850 de rijke voorkomens in Zuid-Amerika ontgonnen werden was echter de mijnbouw in het Nahedal niet meer rendabel. Wat bleef was de edelsteenindustrie te Idar-Oberstein, van waaruit een groot deel van Europa wordt voorzien.

126. Achaat in melafier, vergroting naar een zwerfsteen van Maarn.

Het Nahe-gebied heeft in West-Europa niet het monopolie van de mooie achaten. Ook in Dalarna, in Zweden, zijn ze (in veel oudere, precambrische tijden) in basaltachtige gesteenten gevormd; een enkele keer zien we een achaatbrokje in een Dalazandsteen. In schoonheid doen de Zweedse achaten niet onder voor de Duitse, maar hier te lande is de eerste groep heel wat zeldzamer.
Tenslotte hebben zich ook in de holten in verkiezelende kalkstenen en zandsteenbreccies (foto 60) achaten gevormd. Aangezien het omringend gesteente veel armer aan variatie in samenstelling was, werden in de holten alleen grijze chalcedoonlaagjes en kleurloze kwartskorstjes afgezet, waardoor deze steentjes veel minder fraai zijn. Hun vorm is ook anders; terwijl eerstgenoemd type ronde glasblazen op heeft gevuld, bekleedde dit achaattype veelal plaatvormige of onregelmatig-hoekige gaten, kloven en holten. Vestingachaten treffen we hier dan ook niet onder. In Zuid-Limburg zijn ze vooral niet zeldzaam in het pliocene grind van de Brunssumerheide; overigens komen ze sporadisch voor.